Art. 19 Verordening (EU) 2016/1624, Situaties aan de buitengrenzen die dringend optreden vereisen
1. Wanneer het toezicht op de buitengrenzen zodanig onwerkzaam wordt dat het functioneren van het Schengengebied in het gedrang dreigt te komen omdat:
a) een lidstaat nalaat de nodige maatregelen te treffen overeenkomstig een beslissing van de raad van bestuur als bedoeld in artikel 13, lid 8; of
b) een lidstaat geconfronteerd wordt met specifieke en onevenredig grote uitdagingen aan de buitengrenzen en de lidstaat het Agentschap niet om voldoende steun heeft verzocht op grond van de artikelen 15, 17, of 18, of niet de nodige stappen onderneemt om op te treden op grond van die artikelen,
kan de Raad, op basis van een voorstel van de Commissie, onverwijld door middel van een uitvoeringshandeling een besluit nemen tot vaststelling van de door het Agentschap uit te voeren maatregelen die deze risico's moeten beperken, waarbij de betrokken lidstaat wordt verplicht medewerking te verlenen aan het Agentschap bij de uitvoering van die maatregelen. De Commissie raadpleegt het Agentschap voordat zij een voorstel indient.
2. Indien zich een situatie voordoet die dringend optreden vereist, wordt het Europees Parlement daarvan onverwijld in kennis gesteld, alsmede van alle verdere maatregelen en besluiten die in antwoord daarop genomen worden.
3. Om het risico dat het functioneren van het Schengengebied in het gedrang komt, te beperken, bepaalt het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad dat het Agentschap een of meer van de volgende maatregelen neemt:
a) organisatie en coördinatie van snelle grensinterventies en inzet van Europese grens- en kustwachtteams uit de snel inzetbare pool en indien nodig inzet van extra Europese grens- en kustwachtteams;
b) inzet van Europese grens- en kustwachtteams in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer in hotspotgebieden;
c) coördinatie van activiteiten ten behoeve van een of meer lidstaten en derde landen aan de buitengrenzen, waaronder gezamenlijke operaties met naburige derde landen;
d) inzet van technische uitrusting;
e) organisatie van terugkeerinterventies.
4. Binnen twee werkdagen na de datum waarop het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad is vastgesteld:
a) bepaalt de uitvoerend directeur welke actie moet worden ondernomen voor de praktische uitvoering van de bij dat besluit vastgestelde maatregelen, alsmede welke technische uitrusting en hoeveel grenswachters met welk profiel en hoeveel andere relevante personeelsleden benodigd zijn om de doelstellingen van dat besluit te verwezenlijken;
b) stelt de uitvoerend directeur een operationeel plan op en dient hij dat bij de betrokken lidstaat in.
5. De uitvoerend directeur en de betrokken lidstaat stellen het operationele plan binnen drie werkdagen na de datum van indiening vast.
6. Voor de praktische uitvoering van de maatregelen vervat in het in lid 1 van dit artikel bedoelde besluit van de Raad zet het Agentschap onverwijld, doch uiterlijk binnen vijf dagen na de vaststelling van het operationele plan, het noodzakelijke personeel in uit de in artikel 20, lid 5, bedoelde snel inzetbare pool. Extra Europese grens- en kustwachtteams worden indien nodig ingezet in een tweede fase, uiterlijk zeven werkdagen na de inzet van de teams uit de snel inzetbare pool.
7. Het Agentschap zet onverwijld, en in elk geval binnen 10 werkdagen na de vaststelling van het operationeel plan, de nodige technische uitrusting in voor de praktische uitvoering van de maatregelen vervat in het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad.
Aanvullende technische uitrusting wordt, voor zover nodig, ingezet in een tweede fase, overeenkomstig artikel 39.
8. De betrokken lidstaat leeft het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad na. Met het oog daarop verleent hij onmiddellijk zijn medewerking aan het Agentschap en onderneemt hij de nodige actie ter vergemakkelijking van de uitvoering van dat besluit en de praktische uitvoering van de maatregelen die zijn vervat in dat besluit en het met de uitvoerend directeur overeengekomen operationele plan.
9. De lidstaten stellen de grenswachters en andere relevante personeelsleden of personeelsleden die bij met terugkeer verband houdende taken zijn betrokken, ter beschikking die de uitvoerend directeur overeenkomstig lid 4 van dit artikel nodig acht. De lidstaten kunnen zich niet beroepen op een situatie als bedoeld in artikel 20, leden 3 en 8.
10. Indien de betrokken lidstaat het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad niet binnen 30 dagen naleeft en de medewerking met het Agentschap zoals voorzien in lid 8 van dit artikel, niet verleent, kan de Commissie de procedure van artikel 29 van Verordening (EU) 2016/399 inleiden.