Art. 32 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, Instromen
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61
1. Liquiditeitsinstromen worden beoordeeld over een periode van dertig kalenderdagen. Zij omvatten uitsluitend contractuele instromen uit blootstellingen die nog niet zijn vervallen en ten aanzien waarvan de kredietinstelling geen reden heeft om aan te nemen dat zij binnen de periode van dertig kalenderdagen niet worden nagekomen.
2. Op liquiditeitsinstromen wordt een instroompercentage van 100 % toegepast, met inbegrip van met name de volgende instromen,:
a) gelden die verschuldigd zijn door centrale banken en financiële cliënten. Met betrekking tot laatstgenoemden wordt het instroompercentage van 100 % in het bijzonder toegepast op instromen uit de volgende transacties:
i) effecten die binnen dertig kalenderdagen vervallen;
ii) handelsfinancieringstransacties als bedoeld in artikel 162, lid 3, tweede alinea, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, met een resterende looptijd van minder dan dertig kalenderdagen;
b) gelden verschuldigd uit hoofde van posities in eigenvermogensinstrumenten die genoteerd staan op een belangrijke index, op voorwaarde dat er niet dubbel wordt geteld met liquide activa. Deze gelden omvatten gelden die binnen dertig kalenderdagen contractueel verschuldigd zijn, zoals dividenden in contanten van dergelijke belangrijke indexen en verschuldigde contanten door eigenvermogensinstrumenten die verkocht maar nog niet afgewikkeld zijn, op voorwaarde dat zij niet worden erkend als liquide activa overeenkomstig titel II;
3. In afwijking van lid 2 voldoen de in dit lid vastgestelde instromen aan de volgende voorschriften:
a) gelden die verschuldigd zijn door andere dan financiële cliënten worden met het oog op de betaling van de hoofdsom verminderd met 50 % van hun waarde of, indien dit cijfer hoger is, met de contractuele verplichtingen ten aanzien van deze cliënten om de financiering te verlengen. Voor de toepassing van dit punt omvatten niet-financiële cliënten ondernemingen, centrale overheden, multilaterale ontwikkelingsbanken en publiekrechtelijke lichamen. In afwijking daarvan kunnen kredietinstellingen die een verplichting als bedoeld in artikel 31, lid 9, hebben ontvangen teneinde een stimuleringslening aan een uiteindelijk begunstigde uit te keren, of een soortgelijke verplichting van een multilaterale ontwikkelingsbank of een publiekrechtelijk lichaam hebben ontvangen, een instroom in aanmerking nemen ten belope van de uitstroom die zij op de overeenkomstige verplichting toepassen om die stimuleringsleningen te verlengen;
b) gelden die zijn verschuldigd uit hoofde van gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties als omschreven in artikel 192, punten 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en die zijn gedekt met zekerheden in de vorm van liquide activa, worden buiten beschouwing gelaten tot de waarde van de liquide activa, na aftrek van de reductiefactoren die overeenkomstig titel II van toepassing zijn. Gelden die verschuldigd zijn voor de restwaarde of die gedekt zijn met activa die niet als liquide activa kunnen worden aangemerkt overeenkomstig titel II, worden volledig in aanmerking genomen. Er wordt geen instroom toegestaan wanneer de zekerheden worden gebruikt ter dekking van een shortpositie, overeenkomstig artikel 30, lid 5;
c) op gelden verschuldigd uit hoofde van contractueel vervallende marge-leningen die worden gedekt door niet-liquide activa, wordt een instroompercentage van 50 % toegepast. Dergelijke instromen kunnen alleen in aanmerking worden genomen indien de kredietinstelling de zekerheden die zij oorspronkelijk voor de leningen heeft ontvangen, niet gebruikt ter dekking van shortposities;
d) gelden die door de instelling die deze gelden verschuldigd is, overeenkomstig artikel 27 worden behandeld, met uitzondering van deposito's bij de centrale instelling als bedoeld in artikel 27, lid 3, worden vermenigvuldigd met een overeenstemmend symmetrisch instroompercentage. Wanneer het overeenkomstige percentage niet kan worden bepaald, wordt een instroompercentage van 5 % toegepast;
e) binnen dertig kalenderdagen vervallende gegarandeerde swaps leiden tot een instroom van de overtollige liquiditeitswaarde van de verstrekte activa ten opzichte van de liquiditeitswaarde van de opgenomen activa;
f) wanneer de zekerheden die zijn verkregen in het kader van een omgekeerde retrocessieovereenkomst, een opgenomen effectenlening of gegarandeerde swaps, die binnen de periode van dertig dagen vervallen, opnieuw als zekerheden worden aangeboden en worden gebruikt ter dekking van shortposities die tot langer dan dertig dagen kunnen worden verlengd, gaat een kredietinstelling ervan uit dat een dergelijke retrocessieovereenkomst of opneming van een effectenlening wordt doorgerold en niet leidt tot enige instromen van kasmiddelen die de behoefte weergeven om de shortpositie te blijven dekken of de desbetreffende effecten terug te kopen. Shortposities omvatten gevallen waarin een kredietinstelling bij een compenserende portefeuille („matched book”) rechtstreeks een shorttransactie heeft verricht als deel van een handels- of afdekkingsstrategie, en gevallen waarin de kredietinstelling in de compenserende repo-portefeuille een nog te vorderen effect heeft en het effect voor een bepaalde periode heeft opgenomen en voor een langere periode heeft verstrekt;
g) onbenutte krediet- of liquiditeitsfaciliteiten en andere ontvangen verplichtingen van andere entiteiten dan centrale banken en de entiteiten als bedoeld in artikel 34 worden niet in aanmerking genomen. Onbenutte gecommitteerde liquiditeitsfaciliteiten van de centrale bank die als liquide activa overeenkomstig artikel 14 worden erkend, worden niet als instroom in aanmerking genomen;
h) gelden verschuldigd uit hoofde van effecten die door de kredietinstelling zelf of een verbonden entiteit zijn uitgegeven, worden op nettobasis in aanmerking genomen en aan een instroompercentage onderworpen op basis van het toepasselijke instroompercentage van het onderliggende actief overeenkomstig dit artikel;
i) activa met een onbepaalde contractuele einddatum worden met een instroom van 20 % in aanmerking genomen op voorwaarde dat de kredietinstelling op grond van het contract zich binnen dertig dagen kan terugtrekken of de activa kan opvragen.
4. Lid 3, onder a), is niet van toepassing op gelden verschuldigd uit hoofde van gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties als bedoeld in artikel 192, punten 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, die overeenkomstig titel II door liquide activa worden gedekt, als bedoeld in lid 3, onder b). Instromen uit het vrijvallen van saldi die overeenkomstig wettelijke voorschriften voor de bescherming van handelsactiva van cliënten op afzonderlijke rekeningen worden aangehouden, worden volledig in aanmerking genomen op voorwaarde dat deze gescheiden saldi in liquide activa als bedoeld in titel II worden aangehouden.
5. Uitstromen en instromen die over een periode van dertig kalenderdagen uit de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde contracten worden verwacht, worden op nettobasis berekend, als bedoeld in artikel 21, en worden vermenigvuldigd met 100 % in het geval van een netto instroom.
6. Kredietinstellingen nemen geen instromen in aanmerking uit in titel II bedoelde liquide activa, behalve verschuldigde betalingen betreffende de activa die niet in de marktwaarde van het actief worden weergegeven.
7. Kredietinstellingen nemen geen instromen in aanmerking uit nieuwe aangegane verplichtingen.
8. Kredietinstellingen nemen liquiditeitsinstromen die in derde landen met overdrachtsbeperkingen moeten worden ontvangen of die in niet-converteerbare valuta's luiden, alleen in aanmerking voor zover zij overeenstemmen met uitstromen in respectievelijk het derde land of de valuta in kwestie.