Art. 31 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, Uitstromen uit krediet- en liquiditeitsfaciliteiten
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een liquiditeitsfaciliteit verstaan een onbenutte gecommitteerde back-upfaciliteit die zou worden gebruikt voor de herfinanciering van de schuldverplichtingen van een cliënt in situaties waarin de cliënt niet in staat is deze schuld op de financiële markten door te rollen. Het bedrag hiervan wordt berekend als het deel van de door de cliënt uitgegeven schuld dat momenteel openstaat en dat binnen dertig kalenderdagen vervalt en waarvoor de faciliteit als achtervang functioneert. Het deel van de kredietfaciliteit dat een schuld dekt die niet binnen dertig kalenderdagen vervalt, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de definitie van de faciliteit. Additionele capaciteit van de faciliteit wordt behandeld als een gecommitteerde kredietfaciliteit met het bijbehorende opnemingspercentage als uiteengezet in dit artikel. Algemene werkkapitaalfaciliteiten voor ondernemingen worden niet ingedeeld als liquiditeitsfaciliteiten maar als kredietfaciliteiten.
2. Kredietinstellingen berekenen uitstromen van krediet- en liquiditeitsfaciliteiten door het bedrag van de krediet- en liquiditeitsfaciliteiten te vermenigvuldigen met de bijbehorende uitstroompercentages als bedoeld in de leden 3 tot en met 5. Uitstromen uit gecommitteerde krediet- en liquiditeitsfaciliteiten worden bepaald als een percentage van het maximale bedrag dat binnen dertig kalenderdagen kan worden opgenomen, na aftrek van liquiditeitsvereisten die krachtens artikel 23 zouden gelden voor de posten buiten de balanstelling van handelsfinancieringen en na aftrek van de overeenkomstig artikel 9 bepaalde waarde van aan de kredietinstelling beschikbaar gestelde zekerheden, mits deze zekerheden voldoen aan alle volgende voorwaarden:
a) zij kunnen worden hergebruikt of verhypothekeerd door de kredietinstelling;
b) zij worden aangehouden in de vorm van liquide activa, maar zijn niet opgenomen in de liquiditeitsbuffer; en
c) zij bestaan niet in activa die zijn uitgegeven door de tegenpartij van de faciliteit of een hierbij aangesloten entiteit.
Indien de kredietinstelling over de noodzakelijke informatie beschikt, wordt het maximale voor krediet- en liquiditeitsfaciliteiten op te nemen bedrag bepaald als het maximale bedrag dat kan worden opgenomen rekening houdend met de eigen verplichtingen van de tegenpartij of met het vooraf bepaalde, contractueel vastgestelde opnameschema dat in de loop van de volgende dertig kalenderdagen komt te vervallen.
3. Het maximale bedrag dat binnen de volgende dertig kalenderdagen kan worden opgenomen uit onbenutte gecommitteerde kredietfaciliteiten en onbenutte gecommitteerde liquiditeitsfaciliteiten, wordt vermenigvuldigd met 5 % indien deze kunnen worden ingedeeld bij de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen.
4. Het maximale bedrag dat binnen dertig kalenderdagen kan worden opgenomen uit onbenutte gecommitteerde kredietfaciliteiten, wordt vermenigvuldigd met 10 % indien deze aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) zij kunnen niet worden ingedeeld in de blootstellingscategorie retaildeposito's;
b) zij zijn verleend aan andere dan financiële cliënten, met inbegrip van niet-financiële ondernemingen, centrale overheden, centrale banken, multilaterale ontwikkelingsbanken en publiekrechtelijke lichamen;
c) zij zijn niet verleend ter vervanging van financiering van de cliënt in gevallen waarin deze op de financiële markten niet aan zijn financieringsbehoeften kan voldoen.
5. Het maximale bedrag dat binnen de volgende dertig kalenderdagen kan worden opgenomen uit onbenutte gecommitteerde liquiditeitsfaciliteiten, wordt vermenigvuldigd met 30 % indien deze voldoen aan de voorwaarden van lid 4, onder a) en b), en met 40 % indien zij zijn verleend aan particuliere beleggingsondernemingen.
6. Het onbenutte gecommitteerde bedrag van een liquiditeitsfaciliteit die aan een SSPE is verstrekt met als doel deze in staat te stellen andere activa te kopen dan effecten van niet-financiële cliënten, wordt vermenigvuldigd met 10 % voor zover dit bedrag het bedrag van de actueel van cliënten aangekochte activa overschrijdt en indien het maximaal op te nemen bedrag contractueel beperkt is tot het bedrag van de actueel aangekochte activa.
7. De centrale instelling van een stelsel of netwerk als bedoeld in artikel 16 vermenigvuldigt de aan een deelnemende kredietinstelling toegekende liquiditeitsfinanciering met een uitstroompercentage van 75 % indien deze deelnemende kredietinstelling de liquiditeitsfinanciering overeenkomstig artikel 16, lid 2, kan behandelen als een liquide actief. Het uitstroompercentage van 75 % wordt toegepast op de gecommitteerde hoofdsom van de liquiditeitsfinanciering.
8. De kredietinstelling vermenigvuldigt het maximale bedrag dat binnen dertig kalenderdagen kan worden opgenomen uit andere onbenutte gecommitteerde kredietfaciliteiten en onbenutte gecommitteerde liquiditeitsfaciliteiten, met de volgende bijbehorende uitstroompercentages:
a) 40 % voor krediet- en liquiditeitsfaciliteiten verleend aan kredietinstellingen en voor kredietfaciliteiten verleend aan andere gereglementeerde financiële instellingen, met inbegrip van verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen, icb's en beleggingsfondsen van het non-open-endtype;
b) 100 % voor liquiditeitsfaciliteiten die de kredietinstelling heeft verleend aan andere dan de in lid 6 bedoelde SSPE's en voor regelingen uit hoofde waarvan de instelling verplicht is activa van een SSPE te kopen of te ruilen;
c) 100 % voor krediet- en liquiditeitsfaciliteiten verleend aan andere financiële cliënten dan bedoeld in de punten a) en b) en de leden 1 tot en met 7.
9. In afwijking van de leden 1 tot en met 8 kunnen kredietinstellingen die zijn opgericht en worden ondersteund door een centrale of regionale overheid van ten minste één lidstaat, de in de leden 3 en 4 bedoelde behandelingen ook toepassen op krediet- en liquiditeitsfaciliteiten die aan kredietverstrekkers worden verleend met als enig oogmerk de directe of indirecte financiering van stimuleringsleningen, mits deze leningen voldoen aan de vereisten voor uitstroompercentages als bedoeld in de leden 3 en 4.
In afwijking van artikel 32, lid 3, onder g), kunnen kredietinstellingen een symmetrische in- en uitstroom toepassen indien deze stimuleringsleningen via een andere als tussenpersoon fungerende instelling worden verleend als pass through-leningen.
De in dit lid bedoelde stimuleringsleningen zijn uitsluitend beschikbaar voor personen die geen financiële cliënten zijn, op een niet-concurrerende non-profitbasis ter bevordering van publieke beleidsdoelstellingen van de Unie of de centrale of regionale overheid van de betrokken lidstaat. Opnemingen ten laste van dergelijke faciliteiten zijn slechts mogelijk na een redelijkerwijs te verwachten verzoek om een stimuleringslening en ten hoogste tot het gevraagde bedrag, op voorwaarde dat achteraf wordt gerapporteerd over het gebruik van de uitbetaalde middelen.
10. Kredietinstellingen vermenigvuldigen liquiditeitsuitstromen die voortvloeien uit andere in dertig kalenderdagen vervallende verplichtingen dan bedoeld in de artikelen 23 tot en met 31, met 100 %.