Art. 30 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, Additionele uitstromen
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61
1. Voor zekerheden, met uitsluiting van de in artikel 10 bedoelde contanten en activa, die door de kredietinstelling worden gestort voor de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde contracten en kredietderivaten, geldt een additionele uitstroom van 20 %.
Voor zekerheden in activa als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder f), die door de kredietinstelling worden gestort voor de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde contracten en kredietderivaten, geldt een additionele uitstroom van 10 %.
2. Kredietinstellingen berekenen additionele uitstromen en stellen de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis voor alle aangegane contracten waarvan de contractuele voorwaarden binnen dertig kalenderdagen en volgende op een wezenlijke verslechtering van de kredietkwaliteit van de kredietinstelling, tot additionele liquiditeitsuitstromen of behoeften aan zekerheden leiden. Kredietinstellingen stellen de bevoegde autoriteiten uiterlijk bij de indiening van de rapportage overeenkomstig artikel 415 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in kennis van deze uitstromen. Indien de bevoegde autoriteiten dergelijke uitstromen van wezenlijk belang achten met betrekking tot de potentiële liquiditeitsuitstromen van de kredietinstelling, verplichten zij de instelling een additionele uitstroom toe te voegen voor deze contracten overeenkomstig de vereiste additionele zekerheden of uitgaande kasstromen ten gevolge van een wezenlijke verslechtering van de kredietkwaliteit van de kredietinstelling door een verlaging van haar externe kredietbeoordeling met drie stappen. De kredietinstelling past een uitstroompercentage van 100 % toe op deze additionele uitstromen van zekerheden of uitgaande kasstromen. De kredietinstelling onderzoekt regelmatig de omvang van deze wezenlijke verslechtering in het licht van wat relevant is voor de aangegane contracten en deelt het resultaat van dit onderzoek mee aan de bevoegde autoriteiten.
3. De kredietinstelling voegt een additionele uitstroom toe die overeenstemt met de behoeften aan zekerheid ten gevolge van de impact van een ongunstig marktscenario op de derivatentransacties, financieringstransacties en overige contracten voor zover die van wezenlijk belang zijn. Deze berekening wordt verricht volgens de voorschriften van de overeenkomstig artikel 423, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 door de Commissie vast te stellen gedelegeerde handeling.
4. Kredietinstellingen houden overeenkomstig artikel 21 op nettobasis rekening met uitstromen en instromen die in een periode van dertig kalenderdagen worden verwacht uit de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde contracten. In het geval van een netto uitstroom vermenigvuldigt de kredietinstelling het resultaat met een uitstroompercentage van 100 %. Liquiditeitsvereisten die zouden voortvloeien uit de toepassing van de leden 1, 2 en 3, worden van deze berekeningen uitgesloten.
5. De kredietinstelling voegt een additionele uitstroom toe die overeenstemt met 100 % van de marktwaarde van effecten of andere activa die short zijn verkocht en binnen dertig kalenderdagen moeten worden geleverd, tenzij zij eigenaar is van de te leveren effecten of deze heeft geleend onder de voorwaarde dat deze pas na dertig kalenderdagen moeten worden teruggegeven en de effecten geen deel uitmaken van de liquide activa van kredietinstellingen. Indien de shortpositie wordt gedekt door een gedekte effectenfinancieringstransactie, gaat de kredietinstelling ervan uit dat deze shortpositie gedurende de periode van dertig kalenderdagen wordt aangehouden, en geldt een uitstroom van 0 %.
6. De kredietinstelling voegt een additionele uitstroom toe die overeenstemt met 100 % van:
a) de door de instelling aangehouden overtollige zekerheden die op grond van het contract te allen tijde door de tegenpartij kunnen worden opgevraagd;
b) de zekerheden die binnen dertig kalenderdagen aan een tegenpartij moeten worden gestort;
c) de zekerheden voor overeenkomstig titel II als liquide aan te merken activa, welke kunnen worden ingeruild voor activa die overeenstemmen met activa die overeenkomstig titel II niet zonder de toestemming van de kredietinstelling als liquide kunnen worden aangemerkt.
7. Als zekerheden ontvangen deposito's worden niet beschouwd als verplichtingen voor de toepassing van artikel 27 of 29 maar vallen, in voorkomend geval, onder de toepassing van de leden 1 tot en met 6 van dit artikel.
8. Kredietinstellingen gaan uit van een uitstroom van 100 % voor verliezen aan financiële middelen met betrekking tot door activa gedekte effecten, gedekte obligaties en andere gestructureerde financieringsinstrumenten met een looptijd van ten hoogste dertig kalenderdagen, wanneer deze instrumenten worden uitgegeven door de kredietinstelling zelf of door doorstroomlichamen of SPV's die door de kredietinstelling worden gesponsord.
9. Kredietinstellingen gaan uit van een uitstroom van 100 % voor verliezen aan financiële middelen met betrekking tot doorstroomlichamen voor door activa gedekt commercieel papier, beleggingsvehikels voor effecten en andere vergelijkbare financieringsfaciliteiten. Dit uitstroompercentage van 100 % is van toepassing op het vervallende bedrag of het bedrag van de activa die mogelijkerwijze worden gerestitueerd of het bedrag van de vereiste liquiditeit.
10. Voor het deel van de financieringsprogramma's als bedoeld in de leden 8 en 9 zijn kredietinstellingen die verstrekker zijn van bijbehorende liquiditeitsfaciliteiten, niet verplicht het vervallende financieringsinstrument en de liquiditeitsfaciliteit voor geconsolideerde programma's dubbel te tellen.
11. Voor op ongedekte basis geleende en binnen dertig kalenderdagen vervallende activa wordt aangenomen dat zij volledig worden afgebouwd, wat leidt tot een 100 %-uitstroom van liquide activa, tenzij de kredietinstelling eigenaar is van de effecten en deze geen deel uitmaken van de liquiditeitsbuffer van de kredietinstelling.
12. Met betrekking tot het verlenen van primebrokeragediensten, waarbij een kredietinstelling de activa van een cliënt heeft gefinancierd door deze te kruisen met baissetransacties van een andere cliënt, geldt voor dergelijke transacties een uitstroom van 50 % voor de voorwaardelijke verplichting, aangezien de kredietinstelling in het geval van opnemingen door de cliënt verplicht kan zijn additionele bronnen van financiering te zoeken om deze posities te dekken.