Art. 34 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, Instromen binnen een groep of een institutioneel protectiestelsel

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61

1. In afwijking van artikel 32, lid 3, onder g), kunnen de bevoegde autoriteiten per geval toestemming verlenen om een hoger instroompercentage toe te passen voor onbenutte krediet- en liquiditeitsfaciliteiten wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) er zijn redenen om een hogere instroom te verwachten, zelfs in het kader van een gecombineerd idiosyncratisch en marktbreed stressscenario voor de verstrekker;

b) de tegenpartij is de moederinstelling of een dochter van de kredietinstelling of een andere dochterinstelling van dezelfde moederinstelling of met de kredietinstelling verbonden door een betrekking in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, of een lid van hetzelfde institutionele protectiestelsel, als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, of de centrale instelling of een aangesloten instelling van een netwerk of coöperatieve groep als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c) indien het instroompercentage hoger is dan 40 %, wordt door de tegenpartij een overeenkomstig symmetrisch uitstroompercentage toegepast in afwijking van artikel 31;

d) de kredietinstelling en de tegenpartij zijn gevestigd in dezelfde lidstaat.

2. Wanneer de kredietinstelling en de tegenpartij in verschillende lidstaten zijn gevestigd, kunnen de bevoegde autoriteiten ontheffing van de in lid 1, onder d), bedoelde voorwaarde verlenen wanneer naast de criteria van lid 1 aan de volgende aanvullende objectieve criteria is voldaan:

a) de verstrekker en ontvanger van de liquiditeit hebben een laag liquiditeitsrisicoprofiel;

b) er bestaan juridisch bindende overeenkomsten en verbintenissen tussen de entiteiten van de groep met betrekking tot de krediet- of liquiditeitslijn;

c) bij het beheer van het liquiditeitsrisico van de verstrekker van de liquiditeit wordt op passende wijze rekening gehouden met het liquiditeitsrisicoprofiel van de ontvanger van de liquiditeit.

De bevoegde autoriteiten werken samen in onderling overleg overeenkomstig artikel 20, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 om te bepalen of aan de aanvullende criteria van dit lid is voldaan.

3. Indien aan de aanvullende criteria van lid 2 is voldaan, kan de bevoegde autoriteit voor de ontvanger van de liquiditeit een preferentieel instroompercentage van ten hoogste 40 % toepassen. De goedkeuring van beide bevoegde autoriteiten is echter vereist voor een preferentieel percentage van meer dan 40 %, dat op symmetrische basis moet worden toegepast.

Wanneer de toepassing van een preferentieel instroompercentage van meer dan 40 % is goedgekeurd, stellen de bevoegde autoriteiten de EBA in kennis van het resultaat van de in lid 2 bedoelde procedure. De bevoegde autoriteiten onderzoeken regelmatig of nog aan de voorwaarden voor deze hogere instroompercentages wordt voldaan.

Vorige artikelen

Volgende artikelen