Art. 24 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, Uitstromen voortkomende uit stabiele retaildeposito's

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61

1. Tenzij wordt voldaan aan de criteria voor een hoger uitstroompercentage als bedoeld in artikel 25, leden 2, 3 of 5, wordt het bedrag van de retaildeposito's die gedekt zijn door een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) of Richtlijn 2014/49/EU of door een gelijkwaardig depositogarantiestelsel in een derde land, als stabiel beschouwd en vermenigvuldigd met 5 %, indien het deposito:

a) deel uitmaakt van een vaste relatie waarbij opvraging zeer onwaarschijnlijk is; of

b) wordt aangehouden op een betaalrekening.

2. Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt een retaildeposito geacht deel uit te maken van een vaste relatie wanneer de inlegger voldoet aan ten minste een van de volgende criteria:

a) hij heeft een actieve contractuele relatie met de kredietinstelling met een looptijd van ten minste twaalf maanden;

b) hij heeft met de kredietinstelling een relatie als kredietnemer voor woonkredieten of andere leningen met een lange looptijd;

c) hij heeft bij de kredietinstelling ten minste één ander actief product dan een lening.

3. Voor de toepassing van lid 1, onder b), wordt een retaildeposito geacht op een betaalrekening te worden aangehouden wanneer op deze rekening regelmatig lonen, inkomsten of transacties worden gecrediteerd en gedebiteerd.

4. In afwijking van lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten kredietinstellingen vanaf 1 januari 2019 toestemming verlenen om het bedrag van de stabiele retaildeposito's bedoeld in lid 1, die gedekt zijn door een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 2014/49/EU, te vermenigvuldigen met 3 %, tot een maximum van 100 000 EUR, zoals uiteengezet in artikel 6, lid 1, van die richtlijn, mits de Commissie heeft bevestigd dat het officieel erkende depositogarantiestelsel voldoet aan alle volgende voorwaarden:

a) het depositogarantiestelsel beschikt over financiële middelen als bedoeld in artikel 10 van Richtlijn 2014/49/EU, die vooraf zijn verworven door bijdragen die hun deelnemers ten minste jaarlijks betalen;

b) het depositogarantiestelsel beschikt over passende middelen om een gemakkelijke toegang tot aanvullende financiering te waarborgen in het geval van een groot beroep op zijn reserves, waaronder toegang tot buitengewone bijdragen van kredietinstellingen die lid zijn daarvan, en passende alternatieve financieringsregelingen voor het verkrijgen van kortetermijnfinanciering van openbare of particuliere derden;

c) het depositogarantiestelsel zorgt ervoor dat het terugbetaalbare bedrag beschikbaar is binnen een termijn van zeven werkdagen, als bedoeld in artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2014/49/EU, vanaf de datum van toepassing van het uitstroompercentage van 3 %.

5. De bevoegde autoriteiten verlenen de in lid 4 bedoelde toestemming alleen na voorafgaande goedkeuring door de Commissie. Deze goedkeuring wordt aangevraagd door middel van een gemotiveerde kennisgeving, waarin wordt aangetoond dat de run-offpercentages van stabiele retaildeposito's tijdens een stressperiode die zich volgens de in artikel 5 bedoelde scenario's zou voordoen, lager zouden zijn dan 3 %. De gemotiveerde kennisgeving wordt ten minste drie maanden voor de datum waarop de goedkeuring van kracht moet worden, ingediend bij de Commissie. De Commissie beoordeelt of het desbetreffende depositogarantiestelsel voldoet aan de voorwaarden van lid 4, onder a), b) en c). Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, keurt de Commissie het verzoek om goedkeuring van de bevoegde autoriteit goed, tenzij er dwingende redenen bestaan om deze goedkeuring te weigeren, rekening houdend met de werking van de interne markt voor retaildeposito's. Alle kredietinstellingen die bij een dergelijk goedgekeurd depositogarantiestelsel zijn aangesloten, kunnen het uitstroompercentage van 3 % toepassen. De Commissie verzoekt de EBA om advies met betrekking tot de vraag of het desbetreffende depositogarantiestelsel voldoet aan de voorwaarden van lid 4, onder a), b) en c).

6. De bevoegde autoriteiten kunnen kredietinstellingen toestemming verlenen om het bedrag van de retaildeposito's die gedekt zijn door een depositogarantiestelsel in een derde land, dat gelijkwaardig is aan het in lid 1 bedoelde stelsel, met 3 % te vermenigvuldigen indien het derde land deze behandeling toestaat.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen