Art. 24 Verordening (EU) nr. 1305/2013, Preventie en herstel van schade aan bossen door bosbranden en natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen
Verordening (EU) nr. 1305/2013
1. De in artikel 21, lid 1, onder c), bedoelde steun wordt verleend aan private en publieke bosbezitters en andere privaatrechtelijke en openbare lichamen en aan organisaties waarin zij zijn verenigd, voor:
a) de aanleg van beschermingsinfrastructuur. De steun voor brandstroken kan tevens steun voor de betrokken onderhoudskosten omvatten. Er wordt geen steun verleend voor landbouwgerelateerde activiteiten in gebieden waarop agromilieuregelingen van toepassing zijn;
b) plaatselijke, kleinschalige activiteiten ter preventie van brand of andere natuurrisico's; met inbegrip van het gebruik van graasdieren;
c) de aanleg en de verbetering van voorzieningen voor het monitoren van bosbranden, plagen en ziekten, en de installatie en verbetering van de betrokken communicatieapparatuur; en
d) het herstel van het bosbouwpotentieel dat is beschadigd ten gevolge van brand of andere natuurrampen zoals plagen, ziekten alsmede rampzalige gebeurtenissen en aan de klimaatverandering gerelateerde gebeurtenissen.
2. Wat preventieve acties tegen plagen en ziekten betreft, moet het risico dat zich een ramp in dit verband voordoet, worden aangetoond aan de hand van wetenschappelijk bewijs en worden bevestigd door wetenschappelijke overheidsorganisaties. In voorkomend geval moet de lijst van soorten organismen die schadelijk zijn voor planten en een ramp kunnen veroorzaken, in het programma worden opgenomen.
De gesubsidieerde concrete acties moeten consistent zijn met het door de betrokken lidstaat opgestelde bosbeschermingsplan. Voor landbouwbedrijven vanaf een bepaalde door de lidstaten in het programma vast te stellen omvang, is steun afhankelijk van de overlegging van de relevante gegevens van een bosbeheerplan of een gelijkwaardig instrument in overeenstemming met duurzaam bosbeheer zoals vastgesteld in de ministeriële conferentie over de bescherming van de bossen in Europa van 1993, waarin de preventiedoelstellingen zijn opgenomen.
Bosgebieden die overeenkomstig het door de lidstaat opgestelde bosbeschermingsplan als middelmatig tot zeer brandgevaarlijk worden aangemerkt, komen in aanmerking voor steun in verband met bosbrandpreventie.
3. De in lid 1, onder d), bedoelde steun mag slechts worden verleend indien de bevoegde openbare autoriteiten van de lidstaten officieel bevestigen dat een natuurramp heeft plaatsgevonden en dat die natuurramp of de overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG vastgestelde maatregelen om een plantenziekte of plaag uit te roeien of in te dammen heeft geleid tot de vernieling van ten minste 20 % van het betrokken bosbouwpotentieel.
4. In het kader van deze maatregel wordt geen steun verleend voor ten gevolge van de natuurramp gederfde inkomsten.
De lidstaten voorkomen overcompensatie door erop toe te zien dat de begunstigden naast de in het kader van deze maatregel verleende steun geen andere steun op grond van andere nationale steuninstrumenten of steuninstrumenten van de Unie of op grond van private verzekeringsregelingen ontvangen.