Art. 19 Verordening (EU) nr. 1305/2013, Ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen
Verordening (EU) nr. 1305/2013
1. In het kader van deze maatregel wordt steun verleend voor:
a) aanloopsteun ten bate van:
i) jonge landbouwers;
ii) niet-agrarische activiteiten in plattelandsgebieden;
iii) de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven;
b) investeringen in het opzetten en ontwikkelen van niet-agrarische activiteiten;
c) jaarlijkse of eenmalige betalingen voor landbouwers die in aanmerking komen voor de bij titel V van Verordening (EU) nr. 1307/2013 ingestelde regeling voor kleine landbouwbedrijven ("regeling voor kleine landbouwbedrijven") die hun bedrijf definitief aan een andere landbouwer overdragen.
2. De in lid 1, onder a), i), bedoelde steun wordt verleend aan jonge landbouwers.
De in lid 1, onder a), ii), bedoelde steun wordt verleend aan landbouwers of leden van het landbouwhuishouden die diversifiëren naar niet-agrarische activiteiten en naar kleine en micro-ondernemingen en natuurlijke personen in plattelandsgebieden.
De in lid 1, onder a), iii), bedoelde steun wordt verleend aan kleine landbouwbedrijven zoals omschreven door de lidstaten.
De in lid 1, onder b), bedoelde steun wordt verleend aan kleine en micro-ondernemingen en natuurlijke personen in plattelandsgebieden, alsook aan landbouwers of leden van een landbouwhuishouden.
De in lid 1, onder c), bedoelde steun wordt verleend aan landbouwers die op het ogenblik van de indiening van hun aanvraag in aanmerking komen om ten minste een jaar deel te nemen aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven en die toezeggen hun volledige bedrijf en de corresponderende betalingsrechten definitief aan een andere landbouwer over te dragen. De steun wordt betaald vanaf de datum van de overdracht tot en met 31 december 2020 of voor die periode berekend en in één keer betaald.
3. Onder "lid van het landbouwhuishouden" wordt verstaan een natuurlijke of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, met uitzondering van werknemers in de landbouw. Indien een rechtspersoon, dan wel een groep van rechtspersonen als een lid van het landbouwhuishouden wordt beschouwd, moet dit lid ten tijde van het aanvragen van de steun een landbouwactiviteit op het landbouwbedrijf uitoefenen.
4. De in lid 1, onder a), bedoelde steun wordt slechts verleend wanneer een bedrijfsplan wordt overgelegd. Uiterlijk negen maanden na de datum van het besluit tot verlening van de steun moet de uitvoering van het bedrijfsplan van start gaan.
Voor jonge landbouwers die steun ontvangen uit hoofde van lid 1, onder a), i), wordt in het bedrijfsplan bepaald dat de jonge landbouwer binnen 18 maanden na de datum van vestiging voldoet aan artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, met betrekking tot de "actieve landbouwers".
De lidstaten stellen boven- en benedengrenzen vast voor de toegang van landbouwbedrijven tot de respectievelijk in lid 1, onder a), i) en iii), bedoelde steun. De benedengrens voor steunverlening in het kader van lid 1, onder a), i), dient hoger te liggen dan de bovengrens voor steunverlening in het kader van lid 1, onder a), iii). De steun wordt uitsluitend verleend aan kleine en micro-ondernemingen.
5. De in lid 1, onder a), bedoelde steun wordt gedurende een periode van maximaal vijf jaar in ten minste twee tranches betaald. De tranches kunnen degressief zijn. De laatste tranche van de in lid 1, onder a), i) en ii), bedoelde steun mag slechts worden betaald indien het bedrijfsplan correct wordt uitgevoerd.
6. Het maximale steunbedrag voor lid 1, onder a), is vastgesteld in bijlage II. De lidstaten stellen het bedrag van de in lid 1, onder a), i) en ii), bedoelde steun vast en houden daarbij onder meer rekening met de sociaaleconomische toestand in het programmagebied.
7. De in lid 1, onder c), bedoelde steun bedraagt 120 % van de jaarlijkse betaling waarvoor de begunstigde in het kader van de regeling voor kleine landbouwbedrijven in aanmerking komt.
8. Teneinde ervoor te zorgen dat de middelen uit het ELFPO efficiënt en doeltreffend worden gebruikt, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 83 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de minimuminhoud van bedrijfsplannen, en de criteria die de lidstaten moeten hanteren bij de vaststelling van de in lid 4 van dit artikel bedoelde grenzen, worden vastgelegd.