Art. 17, Investeringen in materiële activa
1. In het kader van deze maatregel wordt steun verleend voor roerende en/of onroerende investeringen die:
a) de algehele prestatie en duurzaamheid van het landbouwbedrijf verbeteren;
b) betrekking hebben op de verwerking, de afzet en/of de ontwikkeling van in bijlage I bij het Verdrag vermelde landbouwproducten of katoen, met uitzondering van visserijproducten. Het productieproces kan een product opleveren dat niet in die bijlage wordt vermeld;
c) betrekking hebben op infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van de land- en bosbouw, inclusief op het gebied van de toegankelijkheid van landbouw- en bosgrond, landinrichting en verbetering van land, en de voorziening en besparing van energie en water; of
d) worden beschouwd als niet-productieve investeringen die verband houden met de verwezenlijking van de in het kader van deze verordening nagestreefde agromilieu- en klimaatdoelstellingen, waaronder de staat van instandhouding van de biodiversiteit op het gebied van soorten en habitats, alsmede met het oog op de vergroting van de maatschappelijke belevingswaarde van een Natura 2000-gebied of van andere in het programma te omschrijven systemen met een hoge natuurwaarde.
2. De in lid 1, onder a), bedoelde steun wordt verleend aan landbouwers en groepen van landbouwers.
In geval van investeringssteun voor de herstructurering van landbouwbedrijven verlenen de lidstaten de steun aan landbouwbedrijven op grond van de SWOT-analyse betreffende de prioriteit van de Unie voor plattelandsontwikkeling "versterking van de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf en van het concurrentievermogen van alle landbouwtypen in alle regio's en bevordering van innovatieve landbouwtechnologieën en duurzaam bosbeheer".
3. De in het kader van lid 1, onder a) en b), verleende steun mag de in bijlage II vastgestelde maximale steunpercentages niet overschrijden. Die maximale steunpercentages mogen overeenkomstig de in bijlage II vastgestelde steunpercentages worden verhoogd wanneer het gaat om jonge landbouwers, om collectieve investeringen, waaronder investeringen in verband met een fusie van producentenorganisaties, en om geïntegreerde projecten waarbij vanuit meer dan één maatregel steun wordt verleend, om investeringen in gebieden met natuurlijke en andere specifieke beperkingen zoals bedoeld in artikel 32, om investeringen in verband met concrete acties overeenkomstig de artikelen 28 en 29, en om concrete acties die worden gesteund in het kader van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw. Het gecombineerd steunpercentage evenwel niet meer dan 90 % bedragen.
4. De in het kader van lid 1, onder c) en d), verleende steun wordt verstrekt overeenkomstig de in bijlage II vastgestelde steunpercentages.
5. Aan jonge landbouwers die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigen, mag steun worden verleend voor investeringen om te voldoen aan de normen van de Unie voor de landbouwproductie, waaronder arbeidsveiligheidsnormen. Deze steun mag worden verleend tot uiterlijk 24 maanden na de datum waarop de betrokken landbouwer zich als bedrijfshoofd heeft gevestigd.
6. Indien het recht van de Unie nieuwe eisen stelt aan landbouwers, mag tot uiterlijk 12 maanden na de datum waarop de nieuwe eisen voor het betrokken landbouwbedrijf van kracht zijn geworden, steun worden verleend voor investeringen om te voldoen aan deze eisen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 16 februari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:158
- CBb 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:227
- ABRvS 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:272
- CBb 30 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:531
- CBb 13 oktober 2020, ECLI:NL:CBB:2020:703
- CBb 11 maart 2025, ECLI:NL:CBB:2025:155
- ABRvS 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2835
- CBb 16 december 2025, ECLI:NL:CBB:2025:668
- CBb 9 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:450