HvJ EU 8 juli 2021, C-830/19, ECLI:EU:C:2021:552
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
8 juli 2021 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Landbouw – Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) – Verordening (EU) nr. 1305/2013 – Gedelegeerde verordening (EU) nr. 807/2014 – Vestiging van jonge landbouwers – Ontwikkeling van landbouwbedrijven – Aanloopsteun ten bate van jonge landbouwers – Toegangsvoorwaarden – Gelijkwaardigheid – Vestiging als niet-enig bedrijfshoofd – Bovengrenzen – Vaststelling – Criteria – Standaardopbrengst van het landbouwbedrijf”
In zaak C‑830/19,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal de première instance de Namur (rechtbank van eerste aanleg Namen, België) bij beslissing van 6 november 2019, ingekomen bij het Hof op 15 november 2019, in de procedure
C.J.
tegen
Waals Gewest,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, L. Bay Larsen (rapporteur), C. Toader, M. Safjan en N. Jääskinen, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: V. Giacobbo, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 november 2020,
gelet op de opmerkingen van:
– C.J., vertegenwoordigd door A. Grégoire, advocaat,
– het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door X. Drion, advocaat,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door X. Lewis en M. Kaduczak als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 februari 2021,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2, 5 en 19 van verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 487, met rectificatie in PB 2016, L 130, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 2 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 807/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake bijstand voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot invoering van overgangsbepalingen (PB 2014, L 227, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen C.J. en het Waalse Gewest (België) over de weigering van laatstgenoemde om C.J. de in artikel 19 van verordening nr. 1305/2013 bedoelde vestigingssteun voor jonge landbouwers te verlenen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1305/2013
3 In overweging 17 van deze verordening staat te lezen: „[...] Een maatregel voor de ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen moet jonge landbouwers helpen zich voor het eerst te vestigen en hun landbouwbedrijf na deze eerste vestiging structureel aan te passen. [...] Tevens moet de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven, die economisch rendabel kunnen zijn, worden aangemoedigd. [...] Steun voor het opstarten van een onderneming mag slechts voor de eerste fase van het bestaan van de onderneming worden verleend en mag niet de vorm van exploitatiesteun aannemen. [...]”
4 Artikel 2, lid 1, onder n), van deze verordening bepaalt: „Voor de toepassing van deze verordening [...] gelden onderstaande definities: [...] n) ‚jonge landbouwer’: een persoon die bij het indienen van de aanvraag niet ouder is dan 40 jaar, beschikt over adequate vakbekwaamheid en deskundigheid en zich voor het eerst als bedrijfshoofd op dat landbouwbedrijf vestigt”.
5 Artikel 5 van deze verordening luidt als volgt: „De verwezenlijking van de doelstellingen van plattelandsontwikkeling, die bijdragen aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, wordt nagestreefd aan de hand van de volgende zes prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling, die de relevante thematische doelstellingen van het [gemeenschappelijk strategisch kader] weerspiegelen: [...] 2) het versterken van de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf en het concurrentievermogen van alle landbouwtypen in alle regio’s en het bevorderen van innovatieve landbouwtechnologieën en het duurzaam bosbeheer, met bijzondere aandacht voor: [...] b) het faciliteren van de instap van goedgeschoolde landbouwers in de landbouwsector, en in het bijzonder van de generatiewissel; [...]”
6 Artikel 19 van verordening nr. 1305/2013 bepaalde: „1. In het kader van deze maatregel wordt steun verleend voor: a) aanloopsteun ten bate van: i) jonge landbouwers; [...] 2. De in lid 1, onder a), i), bedoelde steun wordt verleend aan jonge landbouwers. [...] 4. [...] De lidstaten stellen boven- en benedengrenzen vast voor de toegang van landbouwbedrijven tot de respectievelijk in lid 1, onder a), i) en iii), bedoelde steun. [...] De steun wordt uitsluitend verleend aan kleine en micro-ondernemingen. [...] 8. Teneinde ervoor te zorgen dat de middelen uit het Elfpo efficiënt en doeltreffend worden gebruikt, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 83 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de minimuminhoud van bedrijfsplannen, en de criteria die de lidstaten moeten hanteren bij de vaststelling van de in lid 4 van dit artikel bedoelde grenzen, worden vastgelegd.”
Gedelegeerde verordening nr. 807/2014
7 De overwegingen 2 en 5 van gedelegeerde verordening nr. 807/2014 luiden: „(2) De lidstaten moeten specifieke voorwaarden vaststellen en toepassen met betrekking tot de toegang van jonge landbouwers tot bijstand, ingeval zij zich niet als enig bedrijfshoofd vestigen. Om een gelijke behandeling van de begunstigden te waarborgen ongeacht de rechtsvorm waarin zij zich op een landbouwbedrijf willen vestigen, moet worden bepaald dat de voorwaarden waaronder een rechtspersoon of een andere vennootschap als een ‚jonge landbouwer’ kan worden aangemerkt, gelijkwaardig zijn aan die welke gelden voor een natuurlijke persoon. Er moet worden voorzien in een gratieperiode die lang genoeg is om een jonge landbouwer in de gelegenheid te stellen de nodige kwalificaties te verwerven. [...] (5) [...] Met het oog op een gelijke behandeling van begunstigden in de gehele Unie en met het oog op een betere monitoring moet het productiepotentieel van het landbouwbedrijf als criterium voor de vaststelling van de in artikel 19, lid 4, van [verordening nr. 1305/2013] bedoelde grenzen worden gehanteerd.”
8 Artikel 2, lid 1, van deze gedelegeerde verordening bepaalde: „De lidstaten stellen voor een jonge landbouwer als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder n), van verordening (EU) nr. 1305/2013, die zich niet als enig bedrijfshoofd vestigt, specifieke voorwaarden voor diens toegang tot bijstand vast en passen deze toe, ongeacht de rechtsvorm van het desbetreffende bedrijf. Deze voorwaarden zijn gelijkwaardig aan die welke gelden voor een jonge landbouwer die zich als enig bedrijfshoofd vestigt. In alle gevallen behoudt een jonge landbouwer de zeggenschap over het bedrijf.”
9 Artikel 5, lid 2, van die gedelegeerde verordening luidt: „De lidstaten stellen de in artikel 19, lid 4, derde alinea, van verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde drempels vast op basis van het productiepotentieel van het landbouwbedrijf, gemeten als ‚standaardopbrengst’ als gedefinieerd in artikel 5 van verordening (EG) nr. 1242/2008 van de Commissie [van 8 december 2008 houdende invoering van een communautaire typologie van de landbouwbedrijven (PB 2008, L 335, blz. 3)], of een equivalent daarvan.”
Verordening nr. 1242/2008
10 Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1242/2008 bepaalde: „In het kader van de toepassing van de onderhavige verordening wordt onder ‚standaardopbrengst’ verstaan de standaardwaarde van de brutoproductie. [...]”
Belgisch recht
Besluit van de Waalse regering
11 Artikel 25 van het arrêté du gouvernement wallon du 10 septembre 2015 relatif aux aides au développement et à l’investissement dans le secteur agricole (besluit van de Waalse regering van 10 september 2015 betreffende steun voor ontwikkeling en investering in de landbouwsector; hierna: „besluit van de Waalse regering”) bepaalt in verband met de toekenning van steun: „Het overgenomen of opgerichte bedrijf vervult de volgende voorwaarden: [...] 6° de standaardwaarde van de brutoproductie ervan in de zin van artikel 5 van verordening nr. 1242/2008 [...] voldoet aan de boven- en benedengrenzen die door de Minister worden bepaald. [...]”
Ministerieel besluit
12 Artikel 7, lid 2, tweede alinea, van het arrêté ministériel du 10 septembre 2015 exécutant l’arrêté du gouvernement wallon (ministerieel besluit van 10 september 2015 tot uitvoering van het besluit van de Waalse regering), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, luidt: „De maximumdrempel bedoeld in artikel 25, eerste alinea, 6°, van het [besluit van de Waalse regering] bedraagt een miljoen euro bij de vestiging van een jonge landbouwer en anderhalf miljoen euro bij de gelijktijdige vestiging van twee of meer jonge landbouwers.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
13 Verzoeker in het hoofdgeding is een jonge landbouwer die in België is gevestigd. Bij een overeenkomst tot bedrijfsovername heeft hij een derde van het landbouwbedrijf van zijn ouders overgenomen om het familiale landbouwbedrijf voort te zetten. Hij oefent zijn activiteit uit in de vorm van een feitelijke vereniging samen met zijn vader, die eveneens eigenaar is van een derde van het landbouwbedrijf, terwijl het overige derde toebehoort aan de moeder van verzoeker in het hoofdgeding.
14 Op 27 januari 2016 heeft verzoeker in het hoofdgeding bij het Waalse Gewest een aanvraag voor vestigingssteun ingediend.
15 Op 28 oktober 2016 heeft het Waalse Gewest deze aanvraag afgewezen omdat de standaardwaarde van de brutoproductie (hierna: „SBP”) van het overgenomen landbouwbedrijf hoger lag dan de in de nationale regeling vastgestelde maximumdrempel van 1 miljoen EUR.
16 Verzoeker in het hoofdgeding heeft bij het betaalorgaan administratief beroep ingesteld tegen dit besluit tot afwijzing en gevorderd dat bij de vaststelling van de SBP rekening wordt gehouden met het feit dat hij zich niet als enig bedrijfshoofd heeft gevestigd.
17 Bij besluit van 17 februari 2016 heeft het betaalorgaan dit beroep verworpen en zijn eerste besluit bevestigd op grond van de overweging dat de in aanmerking te nemen SBP die van het landbouwbedrijf in zijn geheel was. Deze waarde bedroeg 1976980,45 EUR en was dus hoger dan de in de nationale regeling bepaalde maximumdrempel.
18 Op 12 oktober 2017 is verzoeker in het hoofdgeding tegen dat besluit opgekomen bij de verwijzende rechter.
19 Deze rechter heeft twijfels over de uitlegging van de in artikel 2 van gedelegeerde verordening nr. 807/2014 gestelde voorwaarden waaraan een jonge landbouwer die zich niet als enig bedrijfshoofd heeft gevestigd moet voldoen om vestigingssteun te verkrijgen.
20 Derhalve heeft de tribunal de première instance de Namur (rechtbank van eerste aanleg Namen, België) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Verzetten de artikelen 2, 5 en 19 van [verordening nr. 1305/2013], gelezen in samenhang met artikel 2 van [gedelegeerde verordening nr. 807/2014], zich ertegen dat de lidstaten bij de omzetting van deze bepalingen rekening houden met het gehele bedrijf en niet enkel met het deel van de jonge landbouwer in het bedrijf en/of met de arbeidseenheden bij de bepaling van de boven- en benedengrens wanneer het landbouwbedrijf georganiseerd is als een feitelijke vereniging waarvan een jonge landbouwer een onverdeeld aandeel heeft overgenomen en bedrijfshoofd wordt, maar niet het enige bedrijfshoofd?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
21 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 2, 5 en 19 van verordening nr. 1305/2013, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 5 van gedelegeerde verordening nr. 807/2014, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke het criterium voor de vaststelling van de bovengrens waaronder een jonge landbouwer die zich niet als enig bedrijfshoofd vestigt toegang tot aanloopsteun heeft, de SBP van het landbouwbedrijf in zijn geheel is en niet alleen die van het aandeel dat deze jonge landbouwer in dat bedrijf bezit.
22 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat in artikel 2, lid 1, onder n), van verordening nr. 1305/2013 „jonge landbouwer” wordt gedefinieerd als een persoon die bij het indienen van de aanvraag niet ouder is dan 40 jaar, beschikt over adequate vakbekwaamheid en deskundigheid en zich voor het eerst als bedrijfshoofd op dat landbouwbedrijf vestigt.
23 Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, heeft het in het hoofdgeding aan de orde zijnde bedrijf weliswaar de vorm van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, waarvan naast verzoeker in het hoofdgeding ook natuurlijke personen deel uitmaken die geen jonge landbouwers zijn, maar dient vastgesteld te worden dat uit de bewoordingen van deze bepaling niet volgt dat een dergelijk bedrijf onder een bepaalde rechtsvorm moet worden geëxploiteerd (zie in die zin arrest van 25 oktober 2012, Ketelä, C‑592/11, EU:C:2012:673, punt 42), of dat het niet mogelijk is zich aldaar als bedrijfshoofd te vestigen samen met andere landbouwers.
24 Volgens artikel 19, lid 1, onder a), van verordening nr. 1305/2013 omvat de steun voor de ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen onder meer aanloopsteun ten bate van jonge landbouwers.
25 Artikel 19, lid 4, derde alinea, van deze verordening bepaalt dat de lidstaten met name boven- en benedengrenzen vaststellen voor de toegang van landbouwbedrijven tot de in artikel 19, lid 1, onder a), i), van die verordening bedoelde steun voor jonge landbouwers, waarbij deze steun uitsluitend wordt verleend aan kleine en micro-ondernemingen.
26 Hoewel de bewoordingen van deze bepaling niet expliciet ingaan op de vraag of de lidstaten de daarin vermelde drempels per bedrijf en niet per jonge landbouwer mogen vaststellen, moet artikel 19, lid 4, derde alinea, van verordening nr. 1305/2013 worden gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, van gedelegeerde verordening nr. 807/2014, waarbij deze verordening een aanvulling vormt op verordening nr. 1305/2013. Laatstgenoemde bepaling legt immers het criterium vast dat deze staten moeten hanteren voor de vaststelling van de in artikel 19, lid 4, bedoelde drempels.
27 Zoals blijkt uit artikel 19, lid 8, van verordening nr. 1305/2013, is de Commissie namelijk bevoegd om met het oog op een efficiënt en doeltreffend gebruik van de middelen uit het Elfpo gedelegeerde handelingen vast te stellen, met name ter bepaling van de in lid 4 van dit artikel bedoelde drempels.
28 In dit verband volgt uit artikel 5, lid 2, van gedelegeerde verordening nr. 807/2014 dat de lidstaten die drempels vaststellen op basis van het productiepotentieel van het landbouwbedrijf, gemeten als standaardopbrengst of een equivalent daarvan. Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1242/2008 preciseert dienaangaande dat onder standaardopbrengst wordt verstaan de „standaardwaarde van de brutoproductie”.
29 Om de strekking te bepalen van het criterium voor vaststelling van de bovengrens voor toegang tot aanloopsteun overeenkomstig artikel 19, lid 4, derde alinea, van verordening nr. 1305/2013, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, van gedelegeerde verordening nr. 807/2014, dient in de eerste plaats te worden gelet op de formulering van de bepalingen, die in voorkomend geval worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context waarin zij zijn vastgesteld en de doelstellingen van verordening nr. 1305/2013 (arrest van 25 oktober 2012, Ketelä, C‑592/11, EU:C:2012:673, punt 39).
30 Met betrekking tot de bewoordingen van artikel 19, lid 1, onder a), i), en lid 4, derde alinea, van verordening nr. 1305/2013, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, van gedelegeerde verordening nr. 807/2014, dient te worden opgemerkt dat deze bepalingen niet uitsluiten dat de lidstaten rekening houden met de SBP van het bedrijf in zijn geheel. Het gebruik in artikel 5, lid 2, van gedelegeerde verordening nr. 807/2014 van de woorden „productiepotentieel van het landbouwbedrijf”, die verwijzen naar het objectieve criterium van het „bedrijf”, bevestigt deze uitlegging.
31 Wat de context van deze bepalingen betreft, moet worden opgemerkt dat het criterium van het productiepotentieel van het landbouwbedrijf – dat moet worden gehanteerd voor de vaststelling van de in artikel 19, lid 4, van verordening nr. 1305/2013 bedoelde drempels – door de Uniewetgever onder meer is vastgesteld met het oog op een betere monitoring, zoals blijkt uit overweging 5 van gedelegeerde verordening nr. 807/2014.
32 Een lezing van artikel 19, lid 4, van verordening nr. 1305/2013 volgens hetwelk de drempels voor de toegang van landbouwbedrijven tot steun kunnen worden vastgesteld per bedrijf, kan bijdragen tot een betere monitoring gelet op de verschillende rechtsvormen die landbouwers kunnen aannemen om zich op een landbouwbedrijf te vestigen, alsook op de regels die inherent zijn aan elk van deze vormen, met name inzake de verdeling van de aandelen in het bedrijf.
33 De in het vorige punt gegeven uitlegging wordt ook bevestigd door de doelstelling van verordening nr. 1305/2013.
34 In dit verband zij erop gewezen dat verordening nr. 1305/2013 de doelstellingen vaststelt waaraan het plattelandsontwikkelingsbeleid moet bijdragen, alsmede de desbetreffende prioriteiten van de Unie, waarbij in adequate maatregelen voor de uitvoering van dat beleid wordt voorzien. In deze context worden in artikel 5 van die verordening zes prioriteiten voor plattelandsontwikkeling genoemd, waaronder het versterken van de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf en het concurrentievermogen van alle landbouwtypen, door in het bijzonder de instap van goedgeschoolde landbouwers in de landbouwsector te faciliteren en door toe te zien op de doelstelling om tot een „generatiewissel” te komen.
35 Voorts zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit artikel 19, lid 1, onder a), en lid 4, van verordening nr. 1305/2013, de steun in kwestie bedoeld is om het opstarten van ondernemingen door jonge landbouwers te bevorderen. In dit verband wordt in overweging 17 van die verordening verduidelijkt dat steun voor het opstarten van een onderneming slechts voor de eerste fase van het bestaan van de onderneming mag worden verleend en niet de vorm van exploitatiesteun mag aannemen.
36 Zoals de advocaat-generaal in de punten 73 en 74 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt deze steun dus niet verleend om – zonder onderscheid – de oprichting te bevorderen van om het even welk landbouwbedrijf, maar alleen van bedrijven die voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot hun bedrijfshoofd, activiteiten of omvang, zodat de lidstaten de toekenning van die steun kunnen koppelen aan de kenmerken van de bedrijven die door jonge landbouwers worden overgenomen.
37 Het subsidiabiliteitscriterium in het hoofdgeding beoogt juist aan deze doelstellingen te beantwoorden, aangezien dit criterium – dat past in de logica om de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf te versterken – tot gevolg heeft dat de toegang tot landbouwsteun wordt voorbehouden aan jonge landbouwers die hun activiteit aanvangen in bedrijven waarvan de totale productie een bepaalde drempel niet overschrijdt, waardoor de instap van landbouwers in de landbouwsector wordt gefaciliteerd. Zoals de Commissie en het Waalse Gewest in dit verband ter terechtzitting voor het Hof hebben opgemerkt, beoogt de toepassing van een subsidiabiliteitscriterium als dat in de nationale regeling namelijk te voorkomen dat die steun wordt toegekend aan jonge landbouwers van wie het bedrijf een zodanige SBP genereert dat deze landbouwers in feite geen steun nodig hebben.
38 Artikel 2 van gedelegeerde verordening nr. 807/2014, dat de twijfels van de verwijzende rechter ter zake aanwakkert, kan geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor de lidstaten om de bovengrens voor de toegang tot de betrokken steun niet per begunstigde maar per bedrijf vast te stellen.
39 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat overeenkomstig artikel 2, lid 1, van die gedelegeerde verordening, gelezen in samenhang met overweging 2 ervan, de lidstaten voor een jonge landbouwer als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder n), van verordening nr. 1305/2013, die zich niet als enig bedrijfshoofd vestigt, specifieke voorwaarden voor diens toegang tot bijstand vaststellen en toepassen. Uit artikel 2, lid 1, volgt tevens dat deze voorwaarden gelijkwaardig moeten zijn aan die welke gelden voor een jonge landbouwer die zich als enig bedrijfshoofd vestigt, en van toepassing moeten zijn ongeacht de rechtsvorm waaronder de begunstigde zich op een landbouwbedrijf wil vestigen. In alle gevallen moet een jonge landbouwer de zeggenschap over het bedrijf behouden.
40 Artikel 2, lid 1, van gedelegeerde verordening nr. 807/2014 ziet enerzijds op jonge landbouwers die zich – zoals verzoeker in het hoofdgeding – samen met andere natuurlijke personen vestigen en anderzijds op jonge landbouwers die zich alleen vestigen, als enig bedrijfshoofd. Volgens deze bepaling moeten de voorwaarden voor toegang tot landbouwsteun die aan beide categorieën landbouwers worden gesteld, gelijkwaardig zijn.
41 Een regeling die het recht op aanloopsteun voor jonge landbouwers afhankelijk stelt van de SBP van het gehele bedrijf, stelt dezelfde eisen aan jonge landbouwers die zich alleen vestigen en jonge landbouwers die zich vestigen samen met andere, buiten deze categorie vallende landbouwers. Bijgevolg voldoet die regeling a fortiori aan het gelijkwaardigheidsvereiste van artikel 2, lid 1, van gedelegeerde verordening nr. 807/2014.
42 Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moet erop worden gewezen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling de bovengrens voor de SBP van het bedrijf vaststelt op 1,5 miljoen EUR ingeval twee of meer jonge landbouwers zich tegelijkertijd vestigen, in plaats van 1 miljoen EUR ingeval een jonge landbouwer zich alleen vestigt of, zoals in het hoofdgeding, met andere bedrijfshoofden die buiten deze categorie vallen. Die verhoogde bovengrens houdt echter rekening met een objectief verschil in situatie. Twee of meer jonge landbouwers die zich samen als bedrijfshoofd vestigen, kunnen in principe immers meer produceren dan een jonge landbouwer die zich alleen vestigt. Derhalve wordt met de invoering van een dergelijke verhoogde bovengrens niet voorbijgegaan aan de eis dat de voorwaarden om voor vestigingssteun in aanmerking te komen voor jonge landbouwers gelijkwaardig moeten zijn naargelang zij zich alleen dan wel samen met andere jonge landbouwers vestigen.
43 Deze regeling voorziet ook in verschillende voorwaarden inzake de toegang tot vestigingssteun naargelang de jonge landbouwer zich vestigt met andere jonge landbouwers dan wel met andere, buiten deze categorie vallende landbouwers. Geen enkele bepaling van verordening nr. 1305/2013 of gedelegeerde verordening nr. 807/2014 schrijft echter voor dat de voorwaarden inzake toegang tot steun voor de vestiging van jonge landbouwers die zich in twee verschillende situaties bevinden, gelijkwaardig moeten zijn. Bovendien strookt het met het doel van de steun voor de vestiging van jonge landbouwers dat de voorwaarden inzake toegang tot deze steun gunstiger zijn voor jonge landbouwers die zich samen vestigen dan voor jonge landbouwers die zich vestigen met landbouwers die niet binnen deze categorie vallen.
44 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat de artikelen 2, 5 en 19 van verordening nr. 1305/2013, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 5 van gedelegeerde verordening nr. 807/2014, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke het criterium voor de vaststelling van de bovengrens waaronder een jonge landbouwer die zich niet als enig bedrijfshoofd vestigt toegang tot aanloopsteun heeft, de SBP van het landbouwbedrijf in zijn geheel is en niet alleen die van het aandeel dat deze jonge landbouwer in dat bedrijf bezit.
Kosten
45 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 2, 5 en 19 van verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 5 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 807/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake bijstand voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot invoering van overgangsbepalingen, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke het criterium voor de vaststelling van de bovengrens waaronder een jonge landbouwer die zich niet als enig bedrijfshoofd vestigt toegang tot aanloopsteun heeft, de standaardwaarde van de brutoproductie van het landbouwbedrijf in zijn geheel is en niet alleen die van het aandeel dat deze jonge landbouwer in dat bedrijf bezit.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.