HvJ EU 6 oktober 2021, C-119/20, ECLI:EU:C:2021:817

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

6 oktober 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) – Nationaal programma plattelandsontwikkeling 2014‑2020 – Verordening (EU) nr. 1305/2013 – Artikel 19, lid 1, onder a) – Aanloopsteun ten bate van jonge landbouwers – Steun ten bate van de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven – Cumulatie van steun – Mogelijkheid tot weigering van cumulatie”

In zaak C‑119/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Augstākā tiesa (Senāts) (hoogste rechterlijke instantie, Letland) bij beslissing van 24 februari 2020, ingekomen bij het Hof op 28 februari 2020, in de procedure

Līga Šenfelde

tegen:

Lauku atbalsta dienests,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), kamerpresident, C. Toader en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Līga Šenfelde, vertegenwoordigd door zichzelf,

– de Letse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Pommere, V. Soņeca, L. Juškeviča en E. Bārdiņš, vervolgens door K. Pommere en E. Bārdiņš als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Kaduczak en A. Sauka als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 juni 2021,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 19, lid 1, onder a), van verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 487, met rectificatie in PB 2016, L 130, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Līga Šenfelde, eigenaar van een landbouwbedrijf, en de Lauku atbalsta dienests (dienst voor plattelandssteun, Letland) inzake het besluit waarbij cumulatie van twee soorten steun voor de ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen aan haar is geweigerd.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 1305/2013

3 De overwegingen 3, 7 en 17 van verordening nr. 1305/2013 luiden als volgt: „(3) Aangezien de doelstelling van deze verordening, te weten plattelandsontwikkeling, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt [...] maar [...] beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het [...] subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. [...] (7) [...] Elke lidstaat moet hetzij een nationaal plattelandsontwikkelingsprogramma voor zijn gehele grondgebied opstellen, hetzij een reeks regionale programma’s, hetzij zowel een nationaal programma als een reeks regionale programma’s. Elk programma moet, naast een selectie van maatregelen, een strategie bevatten aan de hand waarvan de streefdoelen die ten aanzien van de prioriteiten van de Unie zijn vastgesteld, moeten worden gehaald. De programmering dient in overeenstemming te zijn met de prioriteiten van de Unie, en dient tevens aangepast te zijn aan de nationale context en een aanvulling te vormen op de andere beleidsgebieden van de Unie, waaronder het landbouwmarktbeleid, het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid. Lidstaten die opteren voor het opstellen van een reeks regionale programma’s, moeten tevens in staat zijn een nationaal kader, zonder afzonderlijke begrotingstoewijzing, op te stellen teneinde een gecoördineerde aanpak van natiewijde uitdagingen door de regio’s te faciliteren. [...] (17) [...] Tevens moet de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven, die economisch rendabel kunnen zijn, worden aangemoedigd. Om de levensvatbaarheid van nieuwe economische activiteiten waarvoor op grond van die maatregel steun wordt verleend, te garanderen, moet worden bepaald dat de steun slechts mag worden verleend indien een bedrijfsplan wordt ingediend. [...]”

4 In artikel 2, lid 1, onder n), van deze verordening wordt een „jonge landbouwer” gedefinieerd als een persoon die bij het indienen van de aanvraag niet ouder is dan 40 jaar, beschikt over adequate vakbekwaamheid en deskundigheid en zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigt.

5 Artikel 5 van de verordening draagt het opschrift „Prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling” en bepaalt in de eerste alinea, punt 2, onder a): „De verwezenlijking van de doelstellingen van plattelandsontwikkeling, die bijdragen aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, wordt nagestreefd aan de hand van de volgende zes prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling, [...]: [...] 2) het versterken van de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf en het concurrentievermogen van alle landbouwtypen in alle regio’s [...], met bijzondere aandacht voor: a) het verbeteren van de economische prestaties van alle landbouwbedrijven en het faciliteren van de herstructurering en modernisering van landbouwbedrijven, met name met het doel de marktdeelname en -gerichtheid [...] te vergroten;”

6 Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1305/2013 luidt: „Het [Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)] treedt in de lidstaten op door middel van de programma’s voor plattelandsontwikkeling. Die programma’s geven uitvoering aan een strategie die moet leiden tot de verwezenlijking van de prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling via een reeks maatregelen zoals omschreven in titel III. Om steun uit het Elfpo wordt verzocht voor de verwezenlijking van de doelstellingen inzake plattelandsontwikkeling die door de prioriteiten van de Unie worden nagestreefd.”

7 Artikel 13 van deze verordening is als volgt verwoord: „Elke plattelandsontwikkelingsmaatregel wordt op zodanige wijze geprogrammeerd dat hij specifiek bijdraagt tot de verwezenlijking van een of meer prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling. Een indicatieve lijst van maatregelen die van bijzonder belang zijn voor de prioriteiten van de Unie, is opgenomen in bijlage VI.”

8 Artikel 19 van de verordening („Ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen”) bepaalt: „1. In het kader van deze maatregel wordt steun verleend voor: a) aanloopsteun ten bate van: i) jonge landbouwers; [...] iii) de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven; [...] 2. De in lid 1, onder a), i), bedoelde steun wordt verleend aan jonge landbouwers. [...] De in lid 1, onder a), iii), bedoelde steun wordt verleend aan kleine landbouwbedrijven zoals omschreven door de lidstaten. [...] 4. De in lid 1, onder a), bedoelde steun wordt slechts verleend wanneer een bedrijfsplan wordt overgelegd. Uiterlijk negen maanden na de datum van het besluit tot verlening van de steun moet de uitvoering van het bedrijfsplan van start gaan. Voor jonge landbouwers die steun ontvangen uit hoofde van lid 1, onder a), i), wordt in het bedrijfsplan bepaald dat de jonge landbouwer binnen 18 maanden na de datum van vestiging voldoet aan artikel 9 van verordening (EU) nr. 1307/2013 [van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 608)], met betrekking tot de ‚actieve landbouwers’. De lidstaten stellen boven- en benedengrenzen vast voor de toegang van landbouwbedrijven tot de respectievelijk in lid 1, onder a), i) en iii), bedoelde steun. De benedengrens voor steunverlening in het kader van lid 1, onder a), i), dient hoger te liggen dan de bovengrens voor steunverlening in het kader van lid 1, onder a), iii). De steun wordt uitsluitend verleend aan kleine en micro-ondernemingen. 5. De in lid 1, onder a), bedoelde steun wordt gedurende een periode van maximaal vijf jaar in ten minste twee tranches betaald. De tranches kunnen degressief zijn. De laatste tranche van de in lid 1, onder a), i) en ii), bedoelde steun mag slechts worden betaald indien het bedrijfsplan correct wordt uitgevoerd. 6. Het maximale steunbedrag voor lid 1, onder a), is vastgesteld in bijlage II. De lidstaten stellen het bedrag van de in lid 1, onder a) i) en ii), bedoelde steun vast en houden daarbij onder meer rekening met de sociaaleconomische toestand in het programmagebied. [...]”

Uitvoeringsverordening nr. 808/2014

9 Bijlage I bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 808/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor verordening nr. 1305/2013 (PB 2014, L 227, blz. 18), bevat een deel 5, inzake codes van maatregelen en submaatregelen. Dit deel bepaalt, uit hoofde van artikel 19 van verordening nr. 1305/2013, onder code 6 de maatregel „ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen”. Twee van de submaatregelen voor programma’s overeenkomstig deze maatregel zijn „hulp bij het oprichten van een onderneming voor jonge landbouwers” (code 6.1) en „aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven” (code 6.3).

Gedelegeerde verordening nr. 807/2014

10 Volgens artikel 5, lid 2, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 807/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake bijstand voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot invoering van overgangsbepalingen (PB 2014, L 227, blz. 1), stellen de lidstaten de in artikel 19, lid 4, derde alinea, van verordening nr. 1305/2013 bedoelde drempels vast op basis van het productiepotentieel van het landbouwbedrijf, gemeten als standaardopbrengst, als gedefinieerd in artikel 5 van verordening (EG) nr. 1242/2008 van de Commissie van 8 december 2008 houdende invoering van een communautaire typologie van de landbouwbedrijven (PB 2008, L 335, blz. 3), of een equivalent daarvan.

Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014‑2020

11 In de bewoording van punt 99 van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014‑2020 (PB 2014, C 204, blz. 1) mag „[s]teun [...] gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen worden toegekend of met ad-hocsteun worden gecumuleerd mits het totale bedrag van de voor een activiteit of een project verleende staatssteun niet groter is dan de in deze richtsnoeren vastgestelde steunplafonds”.

12 Punt 184 van deze richtsnoeren bepaalt: „De steun mag ten hoogste 70000 EUR bedragen per jonge landbouwer en 15000 EUR per klein landbouwbedrijf. De lidstaten moeten bij de vaststelling van het steunbedrag voor jonge landbouwers ook rekening houden met de sociaaleconomische toestand van het betrokken gebied”.

Lets recht

13 Punt 1 van Ministru kabineta 2015. gada 9. jūnija noteikumi Nr. 292 „Valsts un Eiropas Savienības atbalsta piešķiršanas kārtība pasākuma ‚Lauku saimniecību un uzņēmējdarbības attīstība’ apakšpasākumā ‚Atbalsts uzņēmējdarbības uzsākšanai, attīstot mazās lauku saimniecības’” (besluit nr. 292 van de ministerraad van 9 juni 2015 houdende bepalingen inzake de procedure voor de verlening van nationale steun en steun van de Europese Unie uit hoofde van de submaatregel „Aanloopsteun ten bate van de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven” in het kader van de maatregel „Ontwikkeling van landbouwbedrijven en bedrijfsactiviteiten” (Latvijas Vēstnesis, 2015, nr. 126) bepaalt: „Dit besluit regelt de procedure voor de verlening van nationale steun en steun van de Europese Unie in het kader van de submaatregel ‚Aanloopsteun ten bate van de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven’ binnen de maatregel ‚Ontwikkeling van landbouwbedrijven en bedrijfsactiviteiten met een éénmalige steunbetaling’.”

14 Punt 20 van dit besluit bepaalt: „In een programmeringsperiode kan de steunaanvrager de in deze bepalingen genoemde steun slechts één keer ontvangen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15 Verzoekster in het hoofdgeding bezit een landbouwbedrijf en heeft op 5 oktober 2015 voor een eerste project verzocht om aanloopsteun ten bate van de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven.

16 Bij besluit van 15 januari 2016 heeft de dienst voor plattelandssteun deze aanvraag toegewezen.

17 Op 27 juli 2016 heeft verzoekster het landbouwbedrijf overgenomen van haar ouders.

18 Op 23 augustus 2016 heeft zij in het kader van een tweede project aanloopfinanciering voor jonge landbouwers aangevraagd, terwijl zij ook de door de eerste steun gesubsidieerde werkzaamheden nog uitvoerde.

19 Op 8 november 2016 heeft de dienst voor plattelandssteun deze tweede aanvraag afgewezen op grond van artikel 19, lid 4, van verordening nr. 1305/2013.

20 Volgens deze dienst kan een aanvrager uit hoofde van dezelfde maatregel ofwel steun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven, ofwel steun voor jonge landbouwers ontvangen. De dienst was eveneens van mening dat de nationale regeling niet toeliet om eerst steun aan te vragen voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven en vervolgens steun voor jonge landbouwers, omdat op die manier niet werd voldaan aan de voorwaarde van die tweede steun, namelijk dat het gaat om het opzetten of de overname van een bedrijf.

21 Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen dit weigeringsbesluit bezwaar ingesteld bij de dienst voor plattelandssteun. Deze dienst heeft bij besluit van 6 januari 2017 de weigering bevestigd en bleef daarmee bij zijn verbod op het cumuleren van de verschillende soorten steun die in de verordening zijn vastgesteld.

22 De beroepen die verzoekster vervolgens tegen die weigering heeft ingesteld, zijn afgewezen door achtereenvolgens de Administratīvā rajona tiesa (bestuursrechter in eerste aanleg, Letland) en de Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland).

23 Deze rechterlijke instanties hebben met name geoordeeld dat uit de projectdoelen van verzoekster in het hoofdgeding bleek dat met het tweede project werd beoogd om het door het eerste project gestelde doel verder te verwezenlijken. Het toekennen van twee soorten steun voor hetzelfde doel druist evenwel in tegen de regel van eenmalige betaling en kan niet worden beschouwd als evenredig gebruik van de middelen. Bovendien valt een landbouwer niet meer onder het begrip „jonge landbouwer” nadat hij de steun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven zoals bedoeld in artikel 19, lid 1, onder a), iii), van verordening nr. 1305/2013 heeft ontvangen.

24 Op 23 november 2017 heeft verzoekster in het hoofdgeding cassatieberoep ingesteld bij de Augstākā tiesa (Senāts) (hoogste rechterlijke instantie, Letland). Zij betoogde met name dat de bepalingen van verordening nr. 1305/2013 onjuist waren uitgelegd.

25 Zij stelt in dit verband dat de twee soorten steun onder verschillende bepalingen vallen en dat de regel van deze verordening dat steun slechts eenmaal kan worden ontvangen, geldt voor iedere submaatregel afzonderlijk en niet voor de cumulatie ervan.

26 De verwijzende rechter vraagt zich dus af of een nationale regeling houdende een verbod op de uitbetaling van steun als bedoeld in artikel 19, lid 1, onder a), i), van verordening nr. 1305/2013 aan een landbouwer indien er reeds steun als bedoeld in lid 1, onder a), iii), is verleend, verenigbaar is met het Unierecht.

27 Tegen deze achtergrond heeft de Augstākā tiesa (Senāts) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „Moet artikel 19, lid 1, onder a), van verordening [nr. 1305/2013], gelezen in samenhang met andere bepalingen van die verordening en van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014‑2020, aldus worden uitgelegd dat: 1) een landbouwer de hoedanigheid van ‚jonge landbouwer’ verliest als gevolg van het enkele feit dat hij twee jaar eerder aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven als bedoeld in artikel 19, lid 1, onder a), iii), van verordening nr. 1305/2013 heeft ontvangen; 2) voornoemde bepalingen de lidstaten toestaan om een regeling vast te stellen volgens welke er geen steun als bedoeld in artikel 19, lid 1, onder a), i), van [deze verordening] aan een landbouwer wordt uitbetaald indien er reeds steun als bedoeld in [dat lid, onder a)], iii), is verleend; 3) een lidstaat het recht heeft om de toepassing van cumulatie van steun aan een landbouwer te weigeren wanneer de volgorde van cumulatie zoals bepaald in het met de Europese Commissie overeengekomen programma voor plattelandsontwikkeling niet is gerespecteerd?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

28 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1305/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een landbouwer die aanloopsteun heeft ontvangen ten bate van de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven krachtens punt a), iii), van deze bepaling, deze steun kan cumuleren met aanloopsteun voor jonge landbouwers krachtens punt a), i), ervan.

29 Blijkens artikel 19, lid 1, onder a), van deze verordening omvat de steun uit hoofde van de maatregel „Ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen” drie soorten aanloopsteun, waaronder die voor jonge landbouwers en die voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven.

30 Bijlage I bij uitvoeringsverordening nr. 808/2014 noemt in deel 5 betreffende codes van maatregelen en submaatregelen, de code voor steun uit hoofde van de maatregel „Ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen”, zoals bedoeld in artikel 19 van verordening nr. 1305/2013, en de codes voor de submaatregelen „hulp bij het oprichten van een onderneming voor jonge landbouwers” en „aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven”, die in het hoofdgeding aan de orde zijn.

31 Artikel 19, lid 2, van verordening nr. 1305/2013 bepaalt dat de in lid 1, onder a), i), van dat artikel bedoelde steun wordt verleend aan jonge landbouwers en dat de in lid 1, onder a), iii), bedoelde steun wordt verleend aan kleine landbouwbedrijven zoals omschreven door de lidstaten.

32 De omschrijving van het begrip „kleine landbouwbedrijven” wordt volgens deze laatste bepaling aan de lidstaten overgelaten. Het begrip „jonge landbouwer” wordt evenwel gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder n), van verordening nr. 1305/2013, als „een persoon die bij het indienen van de aanvraag niet ouder is dan 40 jaar, beschikt over adequate vakbekwaamheid en deskundigheid en zich voor het eerst als bedrijfshoofd op dat landbouwbedrijf vestigt”.

33 Hoewel de tekst van artikel 19, lid 1, onder a), van deze verordening met name betrekking heeft op de toekenning van de twee soorten steun in het hoofdgeding, stelt dit artikel geen volgorde voor die toekenning vast en sluit het evenmin uitdrukkelijk de mogelijkheid uit om ze gecumuleerd toe te kennen.

34 Artikel 19, lid 4, eerste alinea, van verordening nr. 1305/2013 bepaalt dat toekenning van de in lid 1, onder a), ervan bedoelde steun, waar de twee soorten steun in het hoofdgeding onder vallen, afhankelijk is van de uitvoering van een bedrijfsplan, waarvoor het ook de uitvoeringsvoorwaarden bepaalt.

35 Bovendien bepaalt de derde alinea van artikel 19, lid 4, van de verordening dat de lidstaten boven- en benedengrenzen vaststellen voor de toegang van landbouwbedrijven tot de respectievelijk in lid 1, onder a), i) en onder a), iii), bedoelde steun. Zij bepaalt dat de benedengrens voor steunverlening in het kader van lid 1, onder a), i), hoger dient te liggen dan de bovengrens voor steunverlening in het kader van lid 1, onder a), iii), en dat de steun uitsluitend wordt verleend aan kleine en micro-ondernemingen.

36 Wat dat betreft zij erop gewezen dat, zoals volgt uit artikel 19, lid 8, van verordening nr. 1305/2013, de Commissie bevoegd is om gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin met name de in lid 4 van artikel 19 bedoelde grenzen worden vastgelegd. Zo verduidelijkt artikel 5, lid 2, van gedelegeerde verordening nr. 807/2014 dat de lidstaten de in artikel 19, lid 4, derde alinea bedoelde drempels moeten vaststellen op basis van het productiepotentieel van het landbouwbedrijf, gemeten als „standaardopbrengst” of een equivalent daarvan.

37 Evenwel moet worden geoordeeld dat artikel 19, lid 4, van verordening nr. 1305/2013 niet uitdrukkelijk ingaat op het vraagstuk van de cumulatie van steun uit hoofde van artikel 19, lid 1, onder a), i) en iii), en voorts dat het vaststellen van de grenzen voor steun, als bedoeld in dat lid 4, niet in de weg staat aan de mogelijkheid dat de betrokken soorten steun worden gecumuleerd, zolang het maximale steunbedrag zoals bedoeld in lid 6 van artikel 19 niet wordt overschreden.

38 Het is namelijk niet uitgesloten dat het productiepotentieel van de begunstigde na ontvangst van aanloopsteun voor de ontwikkeling van een klein landbouwbedrijf in voorkomend geval toeneemt dankzij de eerste steun, zodat hij besluit om zich te vestigen als „jonge landbouwer” in de zin van artikel 2, lid 1, onder n), van deze verordening.

39 De hoedanigheid van begunstigde van dergelijke steun staat dus niet in de weg aan de mogelijke aanspraak op de hoedanigheid van „jonge landbouwer” in de zin van deze bepaling, die louter criteria vaststelt met betrekking tot leeftijd, deskundigheid en een eerste vestiging als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf. Hieruit volgt dat een landbouwer als verzoekster in het hoofdgeding kan worden aangemerkt als „jonge landbouwer” in de zin van die bepaling, ook al heeft hij reeds steun ontvangen voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven als bedoeld in artikel 19, lid 1, onder a), iii), van deze verordening.

40 Het criterium betreffende de eerste vestiging op een landbouwbedrijf houdt niet noodzakelijkerwijze in dat het bij het landbouwbedrijf in het kader waarvan de „jonge landbouwer” zich voor het eerst vestigt, gaat om een nieuw bedrijf. Dit criterium kan ook worden vervuld wanneer deze „jonge landbouwer” een reeds bestaand bedrijf verder wenst te ontwikkelen.

41 Voorts vindt de mogelijkheid om de twee soorten steun die in het hoofdgeding aan de orde zijn te cumuleren, onderbouwing in het feit dat, zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 19, lid 5, van nr. 1305/2013 en voorts ook volgt uit overweging 17 ervan, de steun aan jonge landbouwers niet ineens, maar in meerdere tranches wordt uitgekeerd.

42 Zoals de advocaat-generaal in punt 75 van haar conclusie heeft aangegeven, wordt bovendien rekening gehouden met de dagelijkse realiteit van jonge landbouwers en is het in overeenstemming met de doelstellingen van verordening nr. 1305/2013 en de prioriteiten van de Unie op het gebied van plattelandsontwikkeling wanneer een jonge landbouwer de mogelijkheid wordt geboden om ook na de ontvangst van steun ten bate van de ontwikkeling van een klein landbouwbedrijf nog steun ten bate van jonge landbouwers aan te vragen, waarop het reeds ontvangen bedrag in mindering wordt gebracht.

43 De behoefte om landbouwers in de vestigingsfase aan te moedigen om hun bedrijf uit te breiden en te ontwikkelen en bijgevolg hun aanvankelijke bedrijfsplan te wijzigen, draagt namelijk bij aan de verwezenlijking van de in overweging 3 verwoorde doelstelling van deze verordening – plattelandsontwikkeling – en aan de noodzaak om de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven, die economisch rendabel kunnen zijn, aan te moedigen, zoals overweging 17 van de verordening aangeeft.

44 Bovendien zij erop gewezen dat verordening nr. 1305/2013 zowel de doelstellingen waaraan het plattelandsontwikkelingsbeleid moet bijdragen als de desbetreffende prioriteiten van de Unie vaststelt, en daarbij de adequate maatregelen voor de uitvoering van dat beleid bepaalt. In artikel 5 van deze verordening worden namelijk zes prioriteiten voor plattelandsontwikkeling genoemd, waaronder in punt 2 onder meer het versterken van de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf en van het concurrentievermogen van alle landbouwtypen, alsook de generatiewissel, door het accent met name te leggen op het verbeteren van de economische prestaties van alle landbouwbedrijven en het faciliteren van de herstructurering en de modernisering van die bedrijven [zie in die zin arrest van 8 juli 2021, Waals Gewest (Steun aan jonge landbouwers), C‑830/19, EU:C:2021:552, punt 34].

45 De noodzaak om jonge landbouwers bij hun vestiging aan te moedigen om hun bedrijf uit te breiden en te ontwikkelen, zoals benadrukt in punt 43 van het onderhavige arrest, past ook in het kader van de prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling.

46 Zoals in casu uit de verwijzingsbeslissing naar voren komt, had verzoekster in het hoofdgeding in haar bedrijfsplan voor de aanvraag van steun aan jonge landbouwers juist aangegeven het aangevangen project te willen voortzetten, door de veestapel uit te breiden en zo het bedrijf verder te ontwikkelen.

47 Niettemin moet worden opgemerkt dat artikel 19, lid 6, van verordening nr. 1305/2013 de steunbedragen die jonge landbouwers kunnen ontvangen uit hoofde van lid 1, onder a), van dat artikel, beperkt door een „maximaal” bedrag vast te stellen voor de steun die op die grond kan worden toegekend.

48 Punt 99 van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014‑2020 bepaalt dat steun gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen mag worden toegekend of met ad-hocsteun worden gecumuleerd, mits het totale bedrag van de voor een activiteit of een project verleende staatssteun niet groter is dan de in die richtsnoeren vastgestelde steunplafonds.

49 Wat dat betreft bepaalt punt 184 van deze richtsnoeren dat de steun ten hoogste 70000 EUR per jonge landbouwer en 15000 EUR per klein landbouwbedrijf mag bedragen, en dat de lidstaten bij de vaststelling van het steunbedrag voor jonge landbouwers ook rekening moeten houden met de sociaaleconomische toestand van het betrokken gebied.

50 Zoals de advocaat-generaal in punt 82 van haar conclusie heeft opgemerkt en zoals in punt 37 van het onderhavige arrest is uiteengezet, moet de ontvangen aanloopsteun voor de ontwikkeling van een klein landbouwbedrijf in mindering worden gebracht op de te ontvangen aanloopsteun voor jonge landbouwers, zodat het maximale steunbedrag per jonge landbouwer, bepaald in artikel 19, lid 6, en in bijlage II bij verordening nr. 1305/2013, niet wordt overschreden.

51 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1305/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een landbouwer die aanloopsteun ten bate van de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven krachtens punt a), iii), van die bepaling heeft ontvangen, deze steun kan cumuleren met aanloopsteun voor jonge landbouwers krachtens punt a), i), ervan, mits het maximale steunbedrag als bedoeld in lid 6 van dat artikel niet wordt overschreden.

Tweede en derde prejudiciële vraag

52 Met zijn tweede en derde vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1305/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de ontvangst van aanloopsteun voor jonge landbouwers als bedoeld in punt a), i), is uitgesloten indien reeds aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven, als bedoeld in punt a), iii), van die bepaling is toegekend.

53 De twijfels die de verwijzende rechter in het kader van deze vragen heeft, betreffen meer bepaald de beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken bij vaststelling van een regeling voor de toekenning van deze twee soorten aanloopsteun.

54 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat de lidstaten verordening nr. 1305/2013 uitvoeren via hun steunprogramma’s voor plattelandsontwikkeling. Zoals blijkt uit artikel 6 en overweging 7 van deze verordening, treedt het Elfpo namelijk op in de lidstaten door middel van deze programma’s.

55 Zo moet elke lidstaat voor de plattelandsontwikkeling hetzij een nationaal programma voor zijn gehele grondgebied opstellen, hetzij een reeks regionale programma’s, hetzij zowel een nationaal programma als een reeks regionale programma’s, waarmee een strategie wordt uitgevoerd die tot doel heeft de prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling te realiseren.

56 Hieruit volgt dat verordening nr. 1305/2013 de lidstaten een beoordelingsmarge laat voor de tenuitvoerlegging van de soorten steun die zij bepaalt.

57 Zoals volgt uit artikel 1 van deze verordening, stelt zij op basis van een „verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten en de Commissie” de voorschriften vast inzake de programmering, de netwerkvorming, het beheer, de monitoring en de evaluatie, alsook de voorschriften voor de coördinatie van het Elfpo met de andere instrumenten van de Unie.

58 De beoordelingsmarge waarover de lidstaten in dit kader beschikken kan met name betrekking hebben op de selectiecriteria voor projecten, om ervoor te zorgen dat de voor plattelandsontwikkeling bestemde financiële middelen optimaal worden ingezet en de maatregelen uit hoofde van de programma’s voor plattelandsontwikkeling worden afgestemd op de betreffende prioriteiten van de Unie, en dat de gelijke behandeling van aanvragers wordt gegarandeerd.

59 Deze beoordelingsmarge kan eveneens betrekking hebben op de inrichting van de nationale programma’s voor plattelandsontwikkeling en op de uitvoering van de voorschriften van deze verordening, met name wat betreft de omvang van de in aanmerking komende bedrijven zoals bedoeld in artikel 19, lid 2, derde alinea, van de verordening, of het steunbedrag, zoals blijkt uit lid 6 van dat artikel.

60 Bovendien wordt krachtens artikel 13 van verordening nr. 1305/2013 elke plattelandsontwikkelingsmaatregel op zodanige wijze geprogrammeerd dat hij specifiek bijdraagt tot de verwezenlijking van een of meer prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling. Wel moet worden opgemerkt dat, zoals de bewoording van dit artikel verduidelijkt, de lijst van maatregelen die van bijzonder belang zijn voor de prioriteiten van de Unie, in bijlage VI bij de verordening, slechts indicatief is.

61 Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd, volgt hieruit dat de lidstaten in beginsel zelf kunnen kiezen wat zij al dan niet in hun programma’s voor plattelandsontwikkeling opnemen. Zij hebben dus de mogelijkheid om beperkingen te verbinden aan de toekenning van aanloopsteun als bedoeld in artikel 19, lid 1, onder a), van deze verordening, door te bepalen dat de in artikel 19, lid 1, onder a), i), van de verordening bedoelde steun niet mag worden toegekend aan een landbouwer die reeds steun heeft ontvangen uit hoofde van punt a), iii), van deze bepaling.

62 Gelet op het voorgaande moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1305/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de ontvangst van aanloopsteun voor jonge landbouwers als bedoeld in punt a), i), is uitgesloten indien reeds aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven, als bedoeld in punt a), iii), van die bepaling is toegekend.

Kosten

63 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 19, lid 1, van verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een landbouwer die aanloopsteun ten bate van de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven krachtens punt a), iii), van die bepaling heeft ontvangen, deze steun kan cumuleren met aanloopsteun voor jonge landbouwers krachtens punt a), i), ervan, mits het maximale steunbedrag als bedoeld in lid 6 van dat artikel niet wordt overschreden.

2) Artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1305/2013 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de ontvangst van aanloopsteun voor jonge landbouwers als bedoeld in punt a), i), is uitgesloten indien reeds aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven, als bedoeld in punt a), iii), van die bepaling is toegekend.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Lets.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in