Art. 13 Richtlijn 2013/30/EU, Rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie

Richtlijn 2013/30/EU

1. Lidstaten zien erop toe dat de eigenaar een rapport inzake grote gevaren aangaande een niet-productie-installatie opstelt, dat moet worden ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder e). Dat rapport bevat de gegevens als bepaald in bijlage I, delen 3 en 5, en wordt bijgewerkt als daartoe aanleiding is of als dit door de bevoegde autoriteit wordt gevraagd.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat werknemersvertegenwoordigers worden geraadpleegd in de relevante fasen van de opstelling van het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie, en dat daartoe het bewijs wordt verstrekt overeenkomstig bijlage I, deel 3, punt 2.

3. Indien meer informatie vereist is voordat een rapport inzake grote gevaren aangaande een vaste niet-productie-installatie kan worden aanvaard, eisen de lidstaten dat de eigenaar van een niet-productie-installatie deze informatie op verzoek van de bevoegde autoriteit verstrekt en alle nodige wijzigingen in het voorgelegde rapport inzake grote gevaren aanbrengt.

4. Wanneer er aanpassingen aan de niet-productie-installatie zullen worden aangebracht die een essentiële wijziging tot gevolg hebben, of wanneer het de bedoeling is een vaste niet-productie-installatie te ontmantelen, stelt de eigenaar een gewijzigd rapport inzake grote gevaren op dat moet worden ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder f), binnen een door de bevoegde autoriteit bepaalde uiterste termijn overeenkomstig bijlage I, deel 6, punten 1, 2 en 3.

5. De lidstaten zien er voor een vaste niet-productie-installatie op toe dat de geplande wijzigingen niet in gebruik worden genomen en er niet met de ontmanteling wordt begonnen voordat de bevoegde autoriteit het gewijzigde rapport inzake grote gevaren voor de niet-productie-installatie heeft aanvaard.

6. De lidstaten zien er voor een mobiele niet-productie-installatie op toe dat de geplande wijzigingen niet in gebruik worden genomen voordat de bevoegde autoriteit het gewijzigde rapport inzake grote gevaren voor de mobiele niet-productie-installatie heeft aanvaard.

7. Het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie wordt minstens om de vijf jaar, of eerder indien dit door de bevoegde autoriteit wordt geëist, grondig door de eigenaar herzien. De resultaten van de herziening worden ter kennis van de bevoegde autoriteit gebracht.

Vorige artikelen

Volgende artikelen