Art. 11 Richtlijn 2013/30/EU, Documenten die moeten worden ingediend voor het uitvoeren van offshore olie- en gasactiviteiten

Richtlijn 2013/30/EU

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant of de eigenaar of beide de bevoegde autoriteit de volgende documenten verstrekken:

a) het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen of een passende beschrijving daarvan overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 5;

b) het veiligheids- en milieubeheersysteem dat van toepassing is op de installatie, of een passende beschrijving daarvan, in overeenstemming met artikel 19, leden 3 en 5;

c) een kennisgeving van het ontwerp overeenkomstig de eisen van bijlage I, deel 1, in geval van een geplande productie-installatie;

d) een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie overeenkomstig artikel 17;

e) een rapport inzake grote gevaren overeenkomstig de artikelen 12 en 13;

f) in het geval van een essentiële verandering, of ontmanteling van een installatie, een gewijzigd rapport inzake grote gevaren overeenkomstig de artikelen 12 en 13;

g) het intern rampenplan of een passende beschrijving daarvan overeenkomstig de artikelen 14 en 28;

h) In geval van een boorputoperatie, een kennisgeving van die boorputoperatie en informatie over die boorputoperatie overeenkomstig artikel 15;

i) in geval van een gecombineerde activiteit, een kennisgeving van gecombineerde activiteiten overeenkomstig artikel 16;

j) in geval van een bestaande productie-installatie die moet worden verplaatst naar een nieuwe productielocatie waar zij in bedrijf zal worden gesteld, een kennisgeving van verplaatsing overeenkomstig bijlage I, deel 1;

k) elk ander relevant document waar de bevoegde autoriteit om vraagt.

2. De documenten die moeten worden ingediend overeenkomstig lid 1, onder a), b), d) en g), worden gevoegd bij het overeenkomstig lid 1, onder e), vereiste rapport inzake grote gevaren. Het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen van de exploitant van een boorput, dat overeenkomstig punt a) van lid 1 moet worden ingediend, wordt, indien het niet eerder is ingediend, ook gevoegd bij de kennisgeving van de boorputactiviteit die overeenkomstig lid 1, onder h), moet worden ingediend.

3. De overeenkomstig lid 1, onder c), gevraagde kennisgeving van het ontwerp wordt bij de bevoegde autoriteit ingediend binnen een door de bevoegde autoriteit gestelde termijn vóór de voorgenomen indiening van een rapport inzake grote gevaren voor de geplande activiteiten. De bevoegde autoriteit antwoordt op de kennisgeving van het ontwerp met opmerkingen waarmee rekening moet worden gehouden in het rapport inzake grote gevaren.

4. Wanneer een bestaande productie-installatie de offshorewateren van een lidstaat zal binnenkomen of verlaten, stelt de exploitant de bevoegde autoriteit daarvan schriftelijk in kennis vóór de datum waarop de productie-installatie de offshorewateren van de lidstaat moet binnenkomen of verlaten.

5. De overeenkomstig lid 1, onder j), vereiste kennisgeving van de verplaatsing wordt in een voldoende vroege fase van de voorgestelde ontwikkeling ingediend bij de bevoegde autoriteit teneinde de exploitant in staat te stellen door de bevoegde autoriteit gemelde belangrijke punten in aanmerking te nemen bij de opstelling van het rapport inzake grote gevaren.

6. Wanneer er vóór de indiening van het rapport inzake grote gevaren een essentiële wijziging wordt aangebracht in de kennisgeving van het ontwerp of de kennisgeving van de verplaatsing, wordt de bevoegde autoriteit zo snel mogelijk in kennis gesteld van die wijziging.

7. Het overeenkomstig lid 1, onder e), vereiste rapport inzake grote gevaren wordt binnen een door de bevoegde autoriteit gestelde termijn vóór de geplande start van de activiteiten bij de bevoegde autoriteit ingediend.

Vorige artikelen

Volgende artikelen