Art. 17 Richtlijn 2013/30/EU, Onafhankelijke verificatie
1. De lidstaten zien erop toe dat exploitanten en eigenaren regelingen voor onafhankelijke verificatie instellen en dat zij een beschrijving van dergelijke regelingen opstellen, die moet worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder d) en moet worden opgenomen als onderdeel van het veiligheids- en milieubeheersysteem dat wordt ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder b). De beschrijving bevat de in bijlage I, deel 5, bepaalde gegevens.
2. De resultaten van de onafhankelijke verificatie doen geen afbreuk aan de verantwoordelijkheid van de exploitant of de eigenaar voor de correcte en veilige werking van de te verifiëren uitrusting en systemen.
3. Bij de selectie van de onafhankelijke verificateur en het ontwerp van de regelingen voor onafhankelijke verificatie moet worden voldaan aan de criteria van bijlage V.
4. De regelingen voor een onafhankelijke verificatie worden getroffen:
a) voor installaties, om onafhankelijk te waarborgen dat de veiligheids- en milieukritische elementen die worden vermeld in de risicobeoordeling voor de installatie als beschreven in het rapport inzake grote gevaren, geschikt zijn en dat de planning van inspecties en tests van de veiligheids- en milieukritische elementen geschikt en bijgewerkt is en verloopt zoals voorzien;
b) voor kennisgevingen van boorputactiviteiten, om onafhankelijk te waarborgen dat het ontwerp en de controlemaatregelen voor de boorputten te allen tijde geschikt zijn voor de verwachte boorputomstandigheden.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars reageren op het advies van de onafhankelijke verificateur en op basis daarvan passende maatregelen treffen.
6. De lidstaten schrijven voor dat exploitanten en eigenaars ervoor zorgen dat advies van de onafhankelijke verificateur overeenkomstig lid 4, onder a), alsook verslagen van maatregelen die op grond van een dergelijk advies zijn genomen, ter beschikking van de bevoegde autoriteit worden gesteld en door de exploitant of de eigenaar worden bewaard gedurende zes maanden na voltooiing van de offshore olie- en gasactiviteiten waarop zij betrekking hebben.
7. De lidstaten schrijven voor dat exploitanten van boorputten ervoor zorgen dat de bevindingen en opmerkingen van de onafhankelijke verificateur overeenkomstig lid 4, onder b), van dit artikel, alsook hun reacties en maatregelen ten gevolge daarvan, worden opgenomen in de kennisgeving van boorputactiviteiten in overeenstemming met artikel 15.
8. Voor productie-installaties moeten de verificatieregelingen zijn getroffen voordat het ontwerp is voltooid. In geval van een niet-productie-installatie moeten de regelingen zijn getroffen voor er wordt begonnen met offshore-operaties in de offshorewateren van de lidstaten.