Art. 18 Richtlijn 2013/30/EU, Bevoegdheid van de bevoegde autoriteit met betrekking tot activiteiten op installaties
De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde autoriteit:
a) de exploitatie of het begin van de exploitatie van een installatie of van verbonden infrastructuur verbiedt, indien de in het rapport inzake grote gevaren voorgestelde maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen of ter beperking van de gevolgen daarvan of kennisgevingen van boorputoperaties of gecombineerde operatie ingediend respectievelijk overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder h) of i), onvoldoende worden geacht om aan de vereisten van deze richtlijn te voldoen;
b) in uitzonderlijke omstandigheden en indien zij oordeelt dat veiligheid en milieubescherming niet in het gedrang komen, de termijn tussen de indiening van het rapport inzake grote gevaren of andere documenten die overeenkomstig artikel 11 moeten worden ingediend, en het begin van de operaties, verkort;
c) de exploitant ertoe verplicht de evenredige maatregelen te nemen die volgens de bevoegde autoriteit nodig zijn om ervoor te zorgen dat weer aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, wordt voldaan;
d) wanneer artikel 6, lid 4, van toepassing is, passende maatregelen neemt om de permanente veiligheid van de activiteiten te garanderen;
e) gemachtigd is verbeteringen te eisen en, indien nodig, de voortzetting van de exploitatie van een installatie, van een gedeelte daarvan of van verbonden infrastructuur te verbieden indien uit de resultaten van een inspectie, uit een vaststelling overeenkomstig artikel 6, lid 4, uit een regelmatige herziening van het rapport inzake grote gevaren ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder e), of uit wijzigingen in kennisgevingen overeenkomstig artikel 11, blijkt dat niet is voldaan aan de voorschriften van deze richtlijn of dat er gegronde bezorgdheid is over de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten of installaties.