Art. 8 Richtlijn 2013/30/EU, Aanwijzing van de bevoegde autoriteit
1. De lidstaten wijzen een bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de volgende wettelijk opgedragen functies:
a) rapporten inzake grote gevaren beoordelen en aanvaarden, kennisgevingen van ontwerpen, kennisgevingen van boorputactiviteiten of gecombineerde activiteiten beoordelen, alsook andere soortgelijke documenten die hun worden overgelegd;
b) toezien op de naleving door exploitanten en eigenaars van deze richtlijn o.a. door inspecties, onderzoeken en handhavingsacties;
c) het adviseren van andere autoriteiten of organen, met inbegrip van de vergunningverlenende autoriteit;
d) het opstellen van jaarplannen op grond van artikel 21;
e) het opstellen van verslagen;
f) samenwerken met de bevoegde autoriteiten of contactpunten die overeenkomstig artikel 27 zijn ingesteld.
2. De lidstaten zorgen te allen tijde voor de onafhankelijkheid en objectiviteit van de bevoegde autoriteit bij de uitoefening van haar wettelijk opgedragen functies en met name wat betreft lid 1, onder a), b) en c). Belangenconflicten tussen enerzijds de wettelijk opgedragen functies van de bevoegde autoriteit en anderzijds de regelgevende functies inzake de economische ontwikkeling van de offshore natuurlijke hulpbronnen en het verlenen van vergunningen voor offshore olie- en gasactiviteiten in de lidstaat, en de inning en het beheer van met die activiteiten verband houdende inkomsten worden dan ook voorkomen.
3. Om de in lid 2 genoemde doelstellingen te verwezenlijken, vereisen de lidstaten dat de wettelijk opgedragen functies van de bevoegde autoriteit worden uitgeoefend binnen een instantie die onafhankelijk is ten opzichte van de functies van de lidstaat met betrekking tot economische ontwikkeling van de offshore natuurlijke hulpbronnen en het verlenen van vergunningen voor offshore olie- en gasactiviteiten in die lidstaat, en de inning en het beheer van met die activiteiten verband houdende inkomsten.
Wanneer evenwel het totale aantal normaliter bemande installaties minder dan zes bedraagt, kan de betrokken lidstaat besluiten de eerste alinea niet toe te passen. Een dergelijk besluit laat zijn verplichtingen als bedoeld in lid 2 onverlet.
4. De lidstaten stellen voor het publiek een beschrijving beschikbaar van de wijze waarop de bevoegde autoriteit is georganiseerd, met onder meer de redenen voor de betreffende wijze van organisatie, en de manier waarop de uitoefening van de wettelijk opgedragen functies als neergelegd in lid 1 worden uitgeoefend en de verplichtingen als neergelegd in lid 2 worden nagekomen.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over adequate personele en financiële middelen beschikken om de in deze richtlijn vastgestelde wettelijk opgedragen functies uit te voeren. Deze middelen staan in verhouding tot de omvang van de offshore olie- en gasactiviteiten van de lidstaten.
6. De lidstaten kunnen formele overeenkomsten sluiten met relevante instanties van de Unie of andere geschikte organen indien beschikbaar, sluiten voor het leveren van specialistische expertise om de bevoegde autoriteit te ondersteunen bij het uitoefenen van haar wettelijk opgedragen functies. Voor de toepassing van dit lid kan een orgaan als niet geschikt worden beschouwd wanneer de objectiviteit ervan in gevaar kan komen door belangenconflicten.
7. De lidstaten kunnen mechanismen instellen volgens dewelke de financiële kosten van de bevoegde autoriteit voor het uitvoeren van haar taken uit hoofde van deze richtlijn kunnen worden teruggevorderd van vergunninghouders of exploitanten of eigenaars.
8. Indien de bevoegde autoriteit uit één of meer organen bestaat, moeten de lidstaten er alles aan doen om overlapping van de wettelijk opgedragen functies tussen deze organen te voorkomen. De lidstaten kunnen een van de deelorganen aanwijzen als leidend orgaan met verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de wettelijk opgedragen functies die op grond van deze richtlijn zijn toegewezen en voor het rapporteren aan de Commissie.
9. De lidstaten houden toezicht op de activiteiten van de bevoegde autoriteit en nemen alle noodzakelijke maatregelen om de doeltreffendheid ervan bij de uitoefening van de in lid 1 bedoelde wettelijk opgedragen functies te verbeteren.