Art. 7 Verordening (EU) nr. 994/2010, Procedure voor het instellen van bidirectionele capaciteit of voor het aanvragen van vrijstelling
1. Na overleg met alle andere betrokken transmissiesysteembeheerders dienen de transmissiesysteembeheerders uiterlijk op 3 maart 2012 bij hun lidstaten — of, indien de lidstaten dat zo hebben beslist, bij hun bevoegde instanties of hun regulerende instanties (in dit artikel gezamenlijk „de betrokken instanties” genoemd) — voor elke grensoverschrijdende interconnectie tussen lidstaten, met uitzondering van die welke krachtens artikel 6, lid 5, onder a), zijn vrijgesteld en uitgezonderd gevallen waarin bidirectionele capaciteit reeds bestaat of in aanleg is en er geen verzoek is ingediend door een of meer lidstaten om de capaciteit uit te breiden om redenen van leveringszekerheid:
a) een voorstel voor capaciteit in de tegengestelde richting („reverse flow-capaciteit”) in, of
b) een verzoek tot vrijstelling van de bidirectionele capaciteitsverplichting.
2. Het in lid 1 bedoelde voorstel voor reverse flow-capaciteit of verzoek tot vrijstelling stoelt op een beoordeling van de marktvraag, ramingen van vraag en aanbod, technische haalbaarheid, kosten van reverse flow-capaciteit, met inbegrip van de bijbehorende versterking van het transmissiesysteem, en de voordelen voor de leveringszekerheid, waarbij in voorkomend geval ook rekening wordt gehouden met de mogelijke bijdrage die reverse flow-capaciteit, samen met andere mogelijke maatregelen, kan leveren aan de naleving van de in artikel 6 genoemde infrastructuurnorm door de lidstaten die van de reverse flow-capaciteit profiteren.
3. De betrokken instantie die het voorstel of het verzoek tot vrijstelling ontvangt, stelt de instanties van andere lidstaten die volgens de risico-evaluatie baat zouden kunnen hebben bij de reverse flow-capaciteit en de Commissie onverwijld in kennis van het voorstel of het verzoek tot vrijstelling. De betrokken instantie geeft deze instanties en de Commissie de mogelijkheid om advies uit te brengen binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van die kennisgeving.
4. Binnen twee maanden na het verstrijken van de in lid 3 bedoelde termijn neemt de betrokken instantie op basis van de in lid 2 bedoelde criteria en de overeenkomstig artikel 9 verrichte risico-evaluatie, en zoveel mogelijk rekening houdend met de overeenkomstig lid 3 van dit artikel ontvangen adviezen, en rekening houdend met andere, niet strikt economische aspecten zoals de gasleveringszekerheid en de bijdrage aan de interne gasmarkt, een van de volgende maatregelen:
a) zij verleent vrijstelling indien reverse flow-capaciteit geen significante verbetering van de leveringszekerheid van lidstaten of regio’s oplevert of indien de investeringskosten niet in verhouding staan tot de verwachte voordelen voor de leveringszekerheid; ofwel
b) zij aanvaardt het voorstel voor reverse flow-capaciteit, of
c) zij verzoekt de transmissiesysteembeheerder zijn voorstel te wijzigen.
De betrokken instantie stelt de Commissie onverwijld in kennis van haar besluit, en doet die kennisgeving vergezeld gaan van alle relevante informatie waaruit de redenen voor het besluit blijken, waaronder de overeenkomstig lid 3 van dit artikel ontvangen adviezen. De betrokken instanties streven ernaar te waarborgen dat van elkaar afhankelijke besluiten met betrekking tot dezelfde interconnecties of geïnterconnecteerde pijpleidingen, niet met elkaar in tegenspraak zijn.
5. Binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van die kennisgeving kan de Commissie, wanneer er discrepanties zijn tussen het besluit van de betrokken instantie en de adviezen van andere betrokken instanties die bij de kwestie betrokken zijn, de betrokken instantie verzoeken haar besluit te wijzigen. Deze termijn kan met één maand worden verlengd indien de Commissie aanvullende informatie verzoekt. Elk verzoek van de Commissie tot wijziging van het besluit van de betrokken instantie wordt ingediend op grond van de in lid 2 en in lid 4, onder a), genoemde criteria en elementen, waarbij rekening wordt gehouden met de redenen die aan het besluit van de betrokken instantie ten grondslag liggen. De betrokken instantie voldoet aan het verzoek door haar besluit binnen een termijn van vier weken aan te passen. Indien de Commissie binnen deze termijn van twee maanden niet heeft gehandeld, wordt zij geacht geen bezwaren te hebben tegen het besluit van de betrokken instantie.
6. Wanneer uit de resultaten van de overeenkomstig artikel 9 verrichte risico-evaluatie blijkt dat er aanvullende reverse flow-capaciteit benodigd is, wordt de procedure van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel op verzoek van een transmissiesysteembeheerder, een betrokken instantie of de Commissie herhaald.
7. De Commissie en de betrokken instantie nemen te allen tijde de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie in acht.