Art. 10 Verordening (EU) nr. 994/2010, Noodplannen en crisisniveaus
1. In de nationale of gezamenlijke noodplannen:
a) wordt uitgegaan van de in lid 3 omschreven crisisniveaus;
b) worden de rol en de verantwoordelijkheden van aardgasbedrijven en industriële gasafnemers omschreven, waaronder betroffen elektriciteitsproducenten, rekening houdend met de mate waarin zij getroffen worden door eventuele verstoringen van de gaslevering, alsmede hun interactie met de bevoegde instanties en in voorkomend geval met de nationale regulerende instanties op elk van de in lid 3 gedefinieerde crisisniveaus;
c) worden de rol en de verantwoordelijkheden omschreven van de bevoegde instanties en van de andere entiteiten die taken uitvoeren als bedoeld in artikel 2, lid 2, op elk van de in lid 3 van dit artikel gedefinieerde crisisniveaus;
d) wordt ervoor gezorgd dat aardgasbedrijven en industriële gasafnemers voldoende gelegenheid krijgen om op elk crisisniveau te reageren;
e) worden in voorkomend geval de maatregelen en acties benoemd die moeten worden genomen om de mogelijke impact van verstoringen van de gaslevering voor stadsverwarming en voor de productie van elektriciteit uit gas te matigen;
f) worden gedetailleerde procedures en maatregelen omschreven die moeten worden gevolgd voor elk crisisniveau, inclusief de desbetreffende schema’s inzake informatiestromen;
g) wordt een crisismanager of -team aangewezen en wordt de rol daarvan omschreven;
h) wordt de bijdrage omschreven van met name de in bijlage II aangemerkte op de markt gebaseerde maatregelen om een antwoord te bieden op de situatie bij alarmniveau en om de problemen te matigen op het noodsituatieniveau;
i) wordt de bijdrage omschreven van met name de in bijlage III aangemerkte niet op de markt gebaseerde maatregelen die zijn gepland voor of ten uitvoer worden gelegd op het noodsituatieniveau, wordt beoordeeld in welke mate niet op de markt gebaseerde maatregelen vereist zijn om een antwoord te bieden op de crisis, worden hun effecten ingeschat en wordt de procedure vastgesteld om dergelijke maatregelen ten uitvoer te leggen, met dien verstande dat niet op de markt gebaseerde maatregelen alleen worden gebruikt indien op de markt gebaseerde mechanismen niet langer volstaan om de levering aan met name de beschermde afnemers te waarborgen;
j) worden, voor elk crisisniveau, de mechanismen omschreven voor de samenwerking met andere lidstaten;
k) worden de rapportageverplichtingen voor de aardgasbedrijven in het alarm- en noodsituatieniveau nader omschreven;
l) wordt een lijst van vooraf gedefinieerde acties opgesteld om in het geval van een noodsituatie gas beschikbaar te stellen, inclusief commerciële overeenkomsten tussen de bij dergelijke acties betrokken partijen en in voorkomend geval de compensatiemechanismen voor aardgasbedrijven, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met het vertrouwelijke karakter van gevoelige gegevens. Dergelijke acties kunnen onder meer grensoverschrijdende overeenkomsten tussen lidstaten en/of aardgasbedrijven omvatten.
2. De nationale en gezamenlijke noodplannen worden om de twee jaar geactualiseerd, tenzij de omstandigheden frequentere actualisering nodig maken, en weerspiegelen de geactualiseerde risico-evaluatie. De raadpleging tussen bevoegde instanties als bedoeld in artikel 4, lid 2, vindt plaats voordat de geactualiseerde plannen worden vastgesteld.
3. De drie voornaamste crisisniveaus zijn:
a) niveau van vroegtijdige waarschuwing (vroegtijdige waarschuwing): wanneer er concrete, ernstige en betrouwbare informatie is, die aangeeft dat er een gebeurtenis op til kan zijn welke de leveringssituatie waarschijnlijk aanzienlijk zal doen verslechteren en waarschijnlijk tot het ontstaan van een alarm- of een noodsituatieniveau zal leiden; het niveau van vroegtijdige waarschuwing kan worden ingegeven door het mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing;
b) alarmniveau (alarm): wanneer zich een verstoring van de levering of een uitzonderlijk hoge gasvraag voordoet welke de leveringssituatie aanzienlijk doet verslechteren, maar de markt nog in staat is om die verstoring op te vangen zonder toevlucht te hoeven nemen tot niet op de markt gebaseerde maatregelen;
c) noodsituatieniveau (noodsituatie): wanneer zich een uitzonderlijk hoge gasvraag voordoet of een significante verstoring of een andere significante verslechtering van de levering, en wanneer alle relevante op de markt gebaseerde maatregelen zijn toegepast maar de gaslevering niet volstaat om aan de resterende gasvraag te voldoen en er dus naast die op de markt gebaseerde maatregelen ook niet op de markt gebaseerde maatregelen moeten worden genomen, met name om de gaslevering aan beschermde afnemers als bedoeld in artikel 8 veilig te stellen.
4. De nationale en gezamenlijke noodplannen waarborgen dat in het geval van een noodsituatie de grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2009 gehandhaafd blijft voor zover dat technisch en vanuit veiligheidsoogpunt mogelijk is. De plannen zijn in overeenstemming met artikel 3, lid 6, van deze verordening en voeren geen maatregelen in die de stroom van gas over de grenzen heen onnodig beperkt.
5. Wanneer de bevoegde instantie één van de in lid 3 bedoelde crisisniveaus afkondigt, stelt zij de Commissie daar onmiddellijk van op de hoogte en verstrekt zij haar alle nodige informatie, met name over acties die zij wil ondernemen. In het geval van een noodsituatie die kan resulteren in een oproep tot bijstand van de Unie en de lidstaten, stelt de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat het Waarnemings- en informatiecentrum voor civiele bescherming van de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
6. Wanneer de bevoegde instantie een noodsituatie afkondigt, volgt zij de vooraf omschreven maatregelen uit als neergelegd in het noodplan en stelt zij de Commissie onmiddellijk op de hoogte, met name van de acties die zij wil ondernemen overeenkomstig lid 1. In uitzonderlijke gerechtvaardigde gevallen kan de bevoegde instantie acties ondernemen die van het noodplan afwijken. De bevoegde instantie stelt de Commissie onmiddellijk op de hoogte van dergelijke acties en motiveert die acties.
7. De lidstaten en met name de bevoegde instanties zorgen ervoor dat:
a) er geen maatregelen worden genomen die de gasstroom binnen de interne markt op enig moment onnodig beperken;
b) er geen maatregelen worden genomen die de gasleveringssituatie in een andere lidstaat ernstig in gevaar zouden kunnen brengen; en
c) de grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2009 gehandhaafd blijft voor zover dat technisch en vanuit een veiligheidsoogpunt mogelijk is, overeenkomstig het noodplan.
8. De Commissie verifieert zo spoedig mogelijk maar in elk geval binnen vijf dagen na de ontvangst van de in lid 5 bedoelde informatie van de bevoegde instantie, of de afkondiging van een noodsituatie overeenkomstig lid 3, onder c), gerechtvaardigd is en of de genomen maatregelen zo dicht mogelijk aansluiten bij de in het noodplan vermelde acties en geen onevenredige belasting veroorzaken voor aardgasbedrijven en in overeenstemming zijn met lid 7. De Commissie kan op verzoek van een bevoegde instantie of aardgasbedrijven dan wel op eigen initiatief de bevoegde instantie verzoeken de maatregelen te wijzigen wanneer die in strijd zijn met de in lid 7 en de eerste zinsnede van dit lid genoemde voorwaarden. De Commissie kan de bevoegde instantie eveneens verzoeken de afkondiging van de noodsituatie op te heffen wanneer die, naar het oordeel van de Commissie, overeenkomstig lid 3, onder c), niet langer gerechtvaardigd is.
Binnen drie dagen na kennisgeving van het verzoek van de Commissie wijzigt de bevoegde instantie de maatregelen en stelt zij de Commissie daarvan in kennis, of zet zij voor de Commissie de redenen uiteen waarom zij het niet eens is met het verzoek. In dat geval kan de Commissie binnen een termijn van drie dagen haar verzoek wijzigen of intrekken of de betrokken bevoegde instantie of, in voorkomend geval, de betrokken bevoegde instanties en, indien de Commissie dat noodzakelijk acht, de Groep coördinatie gas, bijeenroepen om de kwestie te bespreken. De Commissie motiveert haar verzoek tot wijziging van de actie uitvoerig. De bevoegde instantie houdt volledig rekening met het standpunt van de Commissie. Indien het uiteindelijke besluit van de bevoegde instantie afwijkt van het standpunt van de Commissie, maakt de bevoegde instantie de redenen bekend die ten grondslag liggen aan haar besluit.