Art. 6 Verordening (EU) nr. 994/2010, Infrastructuurnorm

Verordening (EU) nr. 994/2010

1. De lidstaten of, indien een lidstaat dat zo beslist, de bevoegde instantie, waarborgen dat de noodzakelijke maatregelen worden genomen opdat uiterlijk op 3 december 2014, in het geval van het uitvallen van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur, de capaciteit van de resterende infrastructuur, bepaald volgens de N–1-formule als neergelegd in punt 2 van bijlage I, in staat is om, onverminderd lid 2 van dit artikel, te voldoen aan de totale gasvraag van het berekende gebied gedurende een dag van uitzonderlijk hoge vraag die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de 20 jaar. Dit laat, wanneer dat passend en noodzakelijk is, de verantwoordelijkheid van systeembeheerders om de overeenkomstige investeringen te verrichten en de verplichtingen van de transmissiesysteembeheerders als neergelegd in Richtlijn 2009/73/EG en Verordening (EG) nr. 715/2009, onverlet.

2. Aan de in lid 1 bedoelde verplichting ervoor te zorgen dat de resterende infrastructuur voldoende capaciteit heeft om in de totale gasvraag te voorzien wordt ook geacht te zijn voldaan wanneer de bevoegde instantie in het preventieve actieplan aantoont dat een verstoring van de levering op voldoende en tijdige wijze kan worden ondervangen door passende, op de markt gebaseerde maatregelen aan de vraagzijde. Daarvoor wordt de in punt 4 van bijlage I neergelegde formule gebruikt.

3. Wanneer dat volgens de in artikel 9 bedoelde risico-evaluatie passend is, kunnen de bevoegde instanties besluiten dat aan de verplichting van lid 1 van dit artikel op regionaal niveau in plaats van op nationaal niveau wordt voldaan. In dat geval worden gezamenlijke preventieve actieplannen overeenkomstig artikel 4, lid 3, ingesteld. Punt 5 van bijlage I is van toepassing.

4. Na raadpleging van de relevante aardgasbedrijven brengt elke bevoegde instantie bij de Commissie onverwijld verslag uit over elke niet-naleving van de in lid 1 genoemde verplichtingen en stelt zij de Commissie in kennis van de redenen van die niet-naleving.

5. De transmissiesysteembeheerders zorgen voor permanente bidirectionele capaciteit om zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 3 december 2013 op alle grensoverschrijdende interconnecties tussen lidstaten gas in beide richtingen te kunnen vervoeren, behalve:

a) in gevallen zoals aansluitingen op productiefaciliteiten, LNG-faciliteiten en distributienetten, of

b) wanneer er een vrijstelling overeenkomstig artikel 7 is verleend.

Uiterlijk op 3 december 2013 passen de transmissiesysteembeheerders de werking van de transmissiesystemen gedeeltelijk of geheel aan om op grensoverschrijdende interconnecties fysieke gasstromen in beide richtingen mogelijk te maken.

6. Wanneer een bepaalde grensoverschrijdende interconnectie al bidirectioneel is of de bidirectionaliteit ervan in aanleg is, wordt de verplichting van de eerste alinea van lid 5, voor die interconnectie geacht te zijn nagekomen, tenzij een of meer lidstaten om redenen van leveringszekerheid om capaciteitsuitbreiding verzoeken. Op dergelijke verzoeken tot capaciteitsuitbreiding is de procedure van artikel 7 van toepassing.

7. De lidstaten of, indien een lidstaat dit zo beslist, de bevoegde instantie waarborgen dat als een eerste stap de markt altijd op een transparante, gedetailleerde en niet-discriminerende wijze zal worden onderzocht, om te beoordelen of de markt de investering in infrastructuur die nodig is om te voldoen aan de verplichtingen van de leden 1 en 5, nodig heeft.

8. De nationale regulerende instanties houden rekening met de op efficiënte wijze gemaakte kosten om te voldoen aan de verplichtingen krachtens lid 1 en de kosten van permanente bidirectionele capaciteit om gas in beide richtingen te vervoeren, zodat zij voor passende stimulansen zorgen wanneer zij op transparante en gedetailleerde wijze de tarieven of methoden vaststellen of goedkeuren overeenkomstig artikel 41, lid 8, van Richtlijn 2009/73/EG en artikel 13 van Verordening (EG) nr. 715/2009. Wanneer investeringen om bidirectionele capaciteit mogelijk te maken niet nodig zijn voor de markt en wanneer er voor deze investeringen in meer dan één lidstaat dan wel in één lidstaat ten behoeve van andere lidstaten kosten worden gemaakt, beslissen de nationale regulerende instanties van alle betrokken lidstaten gezamenlijk over de kostentoewijzing alvorens enige investeringsbeslissing wordt genomen. Bij de kostentoewijzing wordt in het bijzonder rekening gehouden met de mate waarin de infrastructuurinvesteringen de leveringszekerheid van de betrokken lidstaten verhogen. Artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 713/2009 is van toepassing.

9. De bevoegde instantie waarborgt dat nieuwe transmissie-infrastructuur bijdraagt tot de leveringszekerheid via de totstandbrenging van een goed verbonden net, in voorkomend geval ook dankzij een toereikend aantal grensoverschrijdende entry- en exitpunten, naargelang van de marktvraag en de aangemerkte risico’s. In voorkomend geval beoordeelt de bevoegde instantie in de risico-evaluatie waar er interne knelpunten zijn en of de nationale entrycapaciteit en infrastructuur, met name de transmissienetten, in staat zijn de nationale gasstromen aan te passen aan het scenario van het uitvallen van de in de risico-evaluatie geïdentificeerde grootste afzonderlijke gasinfrastructuur.

10. Bij wijze van uitzondering op lid 1 van dit artikel zijn Luxemburg, Slovenië en Zweden niet gehouden aan de in dit lid genoemde verplichtingen, maar streven zij ernaar hieraan te voldoen wanneer zij de gaslevering van beschermde afnemers overeenkomstig artikel 8 waarborgen. Deze uitzondering geldt:

a) in het geval van Luxemburg: zolang als het ten minste twee interconnectoren met andere lidstaten, ten minste twee verschillende aanvoerbronnen en geen gasopslagfaciliteiten of LNG-faciliteit op zijn grondgebied heeft;

b) in het geval van Slovenië: zolang als zij ten minste twee interconnectoren met andere lidstaten, ten minste twee verschillende aanvoerbronnen en geen gasopslagfaciliteiten of LNG-faciliteit op haar grondgebied heeft;

c) in het geval van Zweden: zolang als het geen gasdoorvoer naar andere lidstaten op zijn grondgebied heeft, een jaarlijks bruto binnenlands gasverbruik van minder dan 2 Mtoe heeft en zijn totale primaire energieverbruik voor minder dan 5 % uit gas bestaat.

Deze drie lidstaten zorgen op transparante, gedetailleerde en niet-discriminerende wijze voor regelmatige marktonderzoeken voor infrastructuurinvesteringen en maken de resultaten van die onderzoeken bekend.

De in de eerste alinea genoemde lidstaten stellen de Commissie in kennis van elke verandering met betrekking tot de in die alinea genoemde voorwaarden. De in de eerste alinea genoemde uitzondering is niet langer van toepassing wanneer ten minste één van de in de eerste alinea genoemde voorwaarden niet langer is vervuld.

Uiterlijk op 3 december 2018 doet elk van de in de eerste alinea genoemde lidstaten de Commissie een verslag toekomen waarin zij de situatie met betrekking tot de in de eerste alinea genoemde voorwaarden en de prognoses ten aanzien van de naleving van de verplichtingen van lid 1 van dit artikel beschrijven, waarbij zij rekening houden met de economische impact van naleving van de infrastructuurnorm, de resultaten van het marktonderzoek en de ontwikkeling van de gasmarkt en van gasinfrastructuurprojecten in de regio. Op basis van het verslag kan de Commissie, indien de in de eerste alinea van dit lid genoemde voorwaarden nog steeds zijn vervuld, beslissen dat de in de eerste alinea genoemde uitzondering nog vier jaar blijft gelden. In het geval van een positief besluit wordt de in deze alinea omschreven procedure na vier jaar herhaald.

Verwijst naar

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen