Art. 11 Verordening (EU) nr. 994/2010, Reactie op een noodsituatie op regionaal of Unieniveau

Verordening (EU) nr. 994/2010

1. Op verzoek van een bevoegde instantie die een noodsituatie heeft afgekondigd en na verificatie overeenkomstig artikel 10, lid 8, kan de Commissie een noodsituatie afkondigen op Unieniveau of, voor een specifieke geografische regio, op regioniveau. Op verzoek van ten minste twee bevoegde instanties die een noodsituatie hebben afgekondigd en na verificatie overeenkomstig artikel 10, lid 8, en indien de redenen voor het afkondigen van die noodsituaties met elkaar samenhangen, kondigt de Commissie naargelang van het geval een noodsituatie op Unie- of regionaal niveau af. In alle gevallen wint de Commissie met gebruikmaking van de communicatiemiddelen die, gegeven de situatie, het geschiktst zijn de standpunten van de andere bevoegde instanties in en houdt zij naar behoren rekening met alle door hen verstrekte informatie. Indien de Commissie oordeelt dat de achterliggende redenen voor het bestaan van een noodsituatie op Unieniveau of een noodsituatie op regionaal niveau niet langer aanwezig zijn, kondigt zij het einde van de noodsituatie op Unie- of op regionaal niveau af. In alle gevallen motiveert de Commissie haar besluit en stelt zij de Raad van haar besluit in kennis.

2. Zodra zij een noodsituatie op Unie- of regionaal niveau afkondigt, roept de Commissie de Groep coördinatie gas bijeen. Gedurende de noodsituatie op Unie- of regionaal niveau kan de Commissie op verzoek van ten minste drie lidstaten de deelname aan de Groep coördinatie gas voor een gehele vergadering of een deel daarvan beperken tot de vertegenwoordigers van de lidstaten en de bevoegde instanties.

3. Bij een noodsituatie op Unie- of regionaal niveau als bedoeld in lid 1 coördineert de Commissie de acties van de bevoegde instanties, waarbij zij ten volle rekening houdt met informatie afkomstig van de Groep coördinatie gas en met de resultaten van de raadpleging van die groep. De Commissie zal met name:

a) de uitwisseling van informatie waarborgen;

b) de samenhang en effectiviteit waarborgen van de op lidstaat- en regionaal niveau ondernomen acties in relatie met het Unieniveau;

c) de acties ten opzichte van derde landen coördineren.

4. De Commissie kan een crisismanagementgroep bijeenbrengen, bestaande uit de in artikel 10, lid 1, onder g), bedoelde crisismanagers van de lidstaten die geraakt worden door de noodsituatie. De Commissie kan in overleg met de crisismanagers andere relevante belanghebbenden uitnodigen om deel te nemen. De Commissie ziet erop toe dat de Groep coördinatie gas regelmatig wordt geïnformeerd over de werkzaamheden van de crisismanagementgroep.

5. De lidstaten en met name de bevoegde instanties zorgen ervoor dat:

a) er geen maatregelen worden genomen die de gasstroom binnen de interne markt, en met name de gasstroom naar de getroffen markten, op enig moment onnodig beperken;

b) er geen maatregelen worden genomen die de gasleveringssituatie in een andere lidstaat ernstig in gevaar zouden kunnen brengen; en

c) de grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2009 gehandhaafd blijft voor zover dat technisch en vanuit een veiligheidsoogpunt mogelijk is, overeenkomstig het noodplan.

6. Indien de Commissie op verzoek van een bevoegde instantie of van een aardgasbedrijf dan wel op eigen initiatief oordeelt dat in een noodsituatie op regionaal of Unieniveau een door een lidstaat of een bevoegde instantie ondernomen actie of een gedraging van een aardgasbedrijf in strijd is met lid 5, verzoekt zij de lidstaat of de bevoegde instantie haar actie te wijzigen of actie te ondernemen om naleving van lid 5 te waarborgen, en vermeldt zij om welke redenen zij van oordeel is dat de lidstaat of de bevoegde instantie dat moet doen. Er wordt naar behoren rekening gehouden met de noodzaak van een voortdurend veilige exploitatie van het gassysteem.

Binnen drie dagen na kennisgeving van het verzoek van de Commissie wijzigt de lidstaat of de bevoegde instantie haar actie en stelt zij de Commissie daarvan in kennis, of zet zij voor de Commissie uiteen waarom zij het niet eens is met het verzoek. In een dergelijk geval kan de Commissie binnen een termijn van drie dagen haar verzoek wijzigen of intrekken of de lidstaat of betrokken bevoegde instantie en, indien de Commissie dat noodzakelijk acht, de Groep coördinatie gas, bijeenroepen om de kwestie te bespreken. De Commissie motiveert haar verzoek tot wijziging van de actie uitvoerig. De lidstaat of de bevoegde instantie houdt volledig rekening met het standpunt van de Commissie. Indien het definitieve besluit van de bevoegde instantie of de lidstaat afwijkt van het standpunt van de Commissie, maakt de bevoegde instantie of de lidstaat de redenen hiervoor bekend.

7. Na de Groep coördinatie gas te hebben geraadpleegd, stelt de Commissie een permanente reservelijst op voor een taakgroep bestaande uit deskundigen uit het bedrijfsleven en vertegenwoordigers van de Commissie. Deze taakgroep kan indien nodig buiten de Unie worden ingezet en monitort de gasstromen naar de Unie en rapporteert daarover, in samenwerking met de derde landen die leveren en doorvoeren.

8. De bevoegde instantie verstrekt het Waarnemings- en informatiecentrum voor civiele bescherming van de Commissie alle nodige informatie over de behoefte aan bijstand. Het Waarnemings- en informatiecentrum voor civiele bescherming evalueert de algemene situatie en brengt advies uit over de bijstand die moet worden gegeven aan de meest getroffen lidstaten, en wanneer passend aan derde landen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen