Art. 9 Verordening (EG) nr. 889/2008, Herkomst van niet-biologisch gehouden dieren

Verordening (EG) nr. 889/2008

1. Krachtens artikel 14, lid 1, onder a) ii), van Verordening (EG) nr. 834/2007 is het binnenbrengen van niet-biologisch gehouden dieren op een bedrijf voor de fokkerij toegestaan, doch alleen wanneer niet voldoende biologisch gehouden dieren beschikbaar zijn en aan de in de leden 2 tot en met 5 van het onderhavige artikel vastgestelde voorwaarden wordt voldaan.

2. Wanneer een veestapel of -beslag voor het eerst wordt samengesteld, moeten niet-biologisch gehouden jonge dieren meteen na het spenen worden opgefokt volgens de voorschriften voor de biologische productie. Bovendien gelden met betrekking tot de datum waarop de dieren in de veestapel of het veebeslag worden opgenomen, de volgende beperkingen:

a) buffels, kalveren en veulens moeten jonger zijn dan zes maanden;

b) lammeren en jonge geiten moeten jonger zijn dan 60 dagen;

c) biggen moeten minder wegen dan 35 kg.

3. Wanneer voor de vernieuwing van een veestapel of een veebeslag niet-biologisch gehouden mannelijke zoogdieren en niet-biologisch gehouden vrouwelijke zoogdieren die nog niet geworpen hebben, op een bedrijf worden binnengebracht, moeten deze dieren daarna worden gehouden volgens de voorschriften voor de biologische productie. Bovendien gelden voor het aantal vrouwelijke zoogdieren dat per jaar op een bedrijf wordt binnengebracht, de volgende beperkingen:

a) de vrouwelijke dieren mogen maximaal 10 % uitmaken van de volwassen paardachtigen of runderen, met inbegrip van bubalus en bizon, en maximaal 20 % van de volwassen varkens, schapen en geiten;

b) op eenheden met minder dan 10 paardachtigen of runderen, of met minder dan vijf varkens, schapen of geiten mag maximaal één dier per jaar voor vernieuwing worden binnengebracht.

In 2012 zal dit lid worden herbezien met het oog op een geleidelijke uitdoving ervan.

4. In de volgende bijzondere gevallen kunnen de in lid 3 vastgestelde percentages na goedkeuring van de bevoegde autoriteit tot 40 % worden verhoogd:

a) wanneer het bedrijf aanzienlijk wordt uitgebreid;

b) wanneer het bedrijf overschakelt op een ander ras;

c) wanneer het bedrijf een nieuwe dierhouderijtak opzet;

d) wanneer rassen voor de landbouw verloren dreigen te gaan in de zin van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie (9), in welk geval de dieren van de betrokken rassen wel al mogen hebben geworpen.

5. Voor de vernieuwing van de bijenbestanden mag per biologischeproductie-eenheid jaarlijks 10 % van de koninginnen en zwermen worden vervangen door niet-biologische koninginnen en zwermen, op voorwaarde dat de koninginnen en zwermen worden geplaatst in kasten met natuurlijke raten of kunstraten die afkomstig zijn van biologische productie-eenheden.

Vorige artikelen

Volgende artikelen