Art. 12 Verordening (EG) nr. 889/2008, Specifieke huisvestingsvoorschriften en dierhouderijpraktijken voor pluimvee

Verordening (EG) nr. 889/2008

1. Pluimvee mag niet in kooien worden gehouden.

2. Waterpluimvee moet toegang hebben tot een waterloop, een vijver, een meer of een poel wanneer de weersomstandigheden en de hygiëneomstandigheden dit toelaten, teneinde te voldoen aan de soortspecifieke behoeften van deze dieren en de voor hen geldende welzijnsvoorschriften.

3. Gebouwen voor alle soorten pluimvee moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) ten minste één derde van het vloeroppervlak moet bestaan uit vaste bodem, dat wil zeggen geen latten- of roosterconstructie, en bedekt zijn met strooisel, zoals stro, houtkrullen, zand of turfmolm;

b) in pluimveestallen voor legkippen moet een voldoende groot gedeelte van het voor de kippen beschikbare vloeroppervlak beschikbaar zijn voor het opvangen van de uitwerpselen;

c) zij moeten voorzien zijn van zitstokken die qua afmetingen en aantal afgestemd zijn op de grootte van de groep en van de dieren overeenkomstig bijlage III;

d) zij moeten voorzien zijn van openingen om naar binnen of naar buiten te gaan die aangepast zijn aan de omvang van de dieren en die samen een totale lengte hebben van ten minste 4 meter per 100 m2 voor de dieren beschikbare ruimte;

e) per pluimveestal mogen niet meer dieren gehuisvest worden dan:

i) 4 800 kippen,

ii) 3 000 legkippen,

iii) 5 200 parelhoenders,

iv) 4 000 vrouwelijke Barbarijse eenden of Pekingeenden of 3 200 mannelijke Barbarijse eenden of Pekingeenden of andere eenden,

v) 2 500 kapoenen, ganzen of kalkoenen;

f) de totale nuttige oppervlakte van de stallen voor pluimvee voor de vleesproductie mag per productie-eenheid niet meer dan 1 600 m2 bedragen;

g) de pluimveestallen moeten zo zijn ontworpen dat alle dieren gemakkelijk toegang hebben tot de openluchtruimte.

4. Het daglicht mag met kunstlicht worden aangevuld tot een maximum van 16 uur licht per dag, met een ononderbroken nachtelijke rustperiode zonder kunstlicht van minstens acht uur.

5. Ter voorkoming van het gebruik van intensieve kweekmethoden moet het pluimvee bij de slacht een bepaalde minimumleeftijd hebben of moet het behoren tot traaggroeiende rassen. Wanneer de marktdeelnemer geen traaggroeiende rassen kweekt, worden bij de slacht de volgende minimumleeftijden toegepast:

a) 81 dagen voor kuikens,

b) 150 dagen voor kapoenen,

c) 49 dagen voor Pekingeenden,

d) 70 dagen voor vrouwelijke Barbarijse eenden,

e) 84 dagen voor mannelijke Barbarijse eenden,

f) 92 dagen voor Mallardeenden,

g) 94 dagen voor parelhoenders,

h) 140 dagen voor mannelijke kalkoenen en braadganzen, en

i) 100 dagen voor vrouwelijke kalkoenen.

De bevoegde autoriteit stelt de criteria voor traaggroeiende rassen of een lijst van deze rassen vast en verstrekt deze informatie aan marktdeelnemers, andere lidstaten en de Commissie.

Vorige artikelen

Volgende artikelen