Art. 13 Verordening (EG) nr. 889/2008, Specifieke bepalingen en huisvestingsvoorschriften voor de bijenteelt
1. De bijenkasten moeten zo geplaatst zijn dat bronnen van nectar en stuifmeel binnen een straal van 3 km van de locatie van de bijenkasten hoofdzakelijk bestaan uit biologische gewassen en/of spontane vegetatie en gewassen waarop slechts licht milieubelastende technieken worden toegepast die gelijkwaardig zijn aan die welke zijn beschreven in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (12) of in artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad (13), en die geen gevolgen kunnen hebben voor de biologische status van de bijenteeltproductie. De bovengenoemde bepalingen zijn niet van toepassing op gebieden waar geen bloei plaatsvindt, of wanneer de kasten in de rustperiode zijn.
2. De lidstaten kunnen gebieden of zones aanwijzen waar de bijenteelt niet kan worden uitgeoefend volgens de voorschriften voor de biologische productie.
3. De kasten moeten in essentie vervaardigd zijn uit natuurlijke materialen die geen verontreinigingsgevaar opleveren voor het milieu of de bijenteeltproducten.
4. De bijenwas voor nieuwe ramen moet afkomstig zijn van biologischeproductie-eenheden.
5. Onverminderd artikel 25 mogen in de kasten alleen natuurlijke producten zoals propolis, was en plantaardige oliën worden gebruikt.
6. Tijdens de honingwinning is het gebruik van synthetische chemische repellenten verboden.
7. Het is verboden honing te winnen uit raten die broed bevatten.