Art. 9 Verordening (EG) nr. 216/2008, Luchtvaartuigen die door een exploitant van een derde land worden gebruikt voor vluchten naar, binnen of vanuit de Gemeenschap
1. De in artikel 4, lid 1, onder d), bedoelde luchtvaartuigen, alsmede de bemanning van en de vluchtuitvoering met die luchtvaartuigen, voldoen aan de toepasselijke ICAO-normen. Als dergelijke normen niet bestaan, voldoen de luchtvaartuigen en de vluchtuitvoeringen aan de eisen van de bijlagen I, III en IV, op voorwaarde dat deze niet strijdig zijn met de rechten van derde landen op grond van internationale verdragen.
2. De exploitant die betrokken is bij commerciële vluchtuitvoeringen met de in lid 1 bedoelde luchtvaartuigen toont aan over het vermogen en de middelen te beschikken om aan de in lid 1 genoemde eisen te voldoen.
Aan de in de eerste alinea bedoelde eis kan worden voldaan door de aanvaarding van door of namens een derde land afgegeven certificaten.
Het vermogen en de middelen bedoeld in de eerste alinea worden erkend door afgifte van een vergunning. De rechten van de exploitant en de reikwijdte van de vluchtuitvoeringen worden in die vergunning gespecificeerd.
3. Van de exploitant die betrokken is bij niet-commerciële vluchtuitvoeringen met complexe motoraangedreven luchtvaartuigen als bedoeld in lid 1 kan worden verlangd dat hij verklaart te beschikken over het vermogen en de middelen om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden die aan de vluchtuitvoering met dat luchtvaartuig verbonden zijn.
4. De maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van dit artikel te wijzigen, door het aan te vullen, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 65, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Deze maatregelen specificeren in het bijzonder:
a) de voorwaarden waaronder kan worden toegestaan dat de in artikel 4, lid 1, onder d), bedoelde luchtvaartuigen of bemanningsleden die niet over een standaard ICAO-bewijs van luchtwaardigheid of een bewijs van bevoegdheid beschikken, vluchten naar, binnen of vanuit de Gemeenschap verrichten;
b) de voorwaarden voor vluchtuitvoering met een luchtvaartuig overeenkomstig lid 1;
c) de voorwaarden voor de afgifte, handhaving, wijziging, beperking, opschorting of intrekking van de in lid 2 bedoelde vergunning van de exploitant, rekening houdend met de certificaten die zijn afgegeven door de staat van registratie of de staat van de exploitant, onverminderd Verordening (EG) nr. 2111/2005 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan;
d) de rechten en de verantwoordelijkheden van de houders van vergunningen;
e) de voorwaarden en procedures voor het afleggen van de verklaring door de in lid 3 bedoelde exploitant en voor het toezicht op die exploitant;
f) de omstandigheden waarin vluchtuitvoeringen in het belang van de veiligheid mogen worden verboden, beperkt of aan voorwaarden onderworpen, overeenkomstig artikel 22, lid 1.
5. Bij de vaststelling van de in lid 4 bedoelde maatregelen draagt de Commissie er in het bijzonder zorg voor dat:
a) in voorkomend geval, gebruik wordt gemaakt van de door de ICAO aanbevolen methoden en uitgevaardigde richtsnoeren;
b) geen vereiste verder gaat dan wat wordt verlangd van de in artikel 4, lid 1, onder b), bedoelde luchtvaartuigen en de exploitanten daarvan;
c) waar dienstig gebruik wordt gemaakt van de overeenkomstig artikel 5, lid 5, en artikel 8, lid 5, vastgestelde maatregelen;
d) de procedure voor het verkrijgen van een vergunning in alle gevallen eenvoudig, evenredig, doeltreffend en kostenefficiënt is en dat de eisen en de conformiteitsbewijzen kunnen worden afgestemd op de complexiteit van de activiteiten en op het risico dat ermee gemoeid is. Bij de procedure wordt met name rekening gehouden met:
i) de resultaten van het Universal Safety Oversight Audit Programme van de ICAO;
ii) gegevens van platforminspecties en gegevens betreffende de veiligheidsbeoordeling van buitenlandse luchtvaartuigen (SAFA); en
iii) andere erkende informatie over veiligheidsaspecten met betrekking tot de betrokken exploitant.