Art. 14, Flexibiliteitsregeling

1. Het bepaalde in deze verordening en de uitvoeringsvoorschriften ervan belet een lidstaat niet onmiddellijk te reageren wanneer zich een veiligheidsprobleem voordoet met betrekking tot een onder deze verordening vallend(e) product, persoon of organisatie.

De lidstaat stelt het Agentschap, de Commissie en de andere lidstaten onverwijld in kennis van de getroffen maatregelen en de redenen daarvoor.

2. a) Het Agentschap gaat na of het veiligheidsprobleem binnen de overeenkomstig artikel 18, onder d), verleende bevoegdheden kan worden aangepakt. Als dit het geval is, neemt het uiterlijk een maand na de kennisgeving overeenkomstig lid 1 de passende besluiten.

b) Indien het Agentschap oordeelt dat het veiligheidsprobleem niet overeenkomstig punt a) kan worden aangepakt, laat het, binnen de onder a) vermelde termijn, overeenkomstig artikel 18, onder b), een aanbeveling uitgaan waarin wordt vermeld of de verordening of de uitvoeringsvoorschriften ervan moeten worden gewijzigd en of de ter kennis gebracht maatregelen moeten worden ingetrokken of gehandhaafd.

3. De maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 65, lid 6, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Deze maatregelen hebben betrekking op de vraag of een ontoereikend veiligheidsniveau of een tekortkoming in deze verordening en de uitvoeringsvoorschriften ervan zodanig zijn dat de procedure tot wijziging ervan moet worden ingeleid, en of de ingevolge lid 1 getroffen maatregelen worden gehandhaafd. In dat geval worden de maatregelen zo nodig door alle lidstaten uitgevoerd en is artikel 11 op hen van toepassing. Als de maatregelen ongerechtvaardigd worden geacht, trekt de betrokken lidstaat de maatregelen in.

4. De lidstaten kunnen in geval van onvoorziene dringende operationele omstandigheden of operationele behoeften van beperkte duur ontheffing verlenen van de in deze verordening en uitvoeringsvoorschriften daarvan voorgeschreven essentiële eisen, mits de veiligheid daardoor niet in het gedrang komt. Het Agentschap, de Commissie en de andere lidstaten worden van de ontheffingen in kennis gesteld zodra die bij herhaling worden verleend of indien zij voor langer dan twee maanden worden verleend.

5. Het Agentschap beoordeelt of de ontheffingen waarvan een lidstaat kennis heeft gegeven minder restrictief zijn dan de toepasselijke communautaire bepalingen en stelt, uiterlijk een maand na de kennisgeving, een aanbeveling op overeenkomstig artikel 18, onder b), omtrent de vraag of de ontheffingen in overeenstemming zijn met de algemene veiligheidsdoelstelling van deze verordening en met de andere regels van het Gemeenschapsrecht.

Indien de ontheffing niet in overeenstemming is met de algemene veiligheidsdoelstellingen van deze verordening of met een andere regel van het Gemeenschapsrecht, besluit de Commissie volgens de in artikel 65, lid 7, bedoelde vrijwaringsprocedure de ontheffing niet toe te staan. In dat geval trekt de betrokken lidstaat de ontheffing in.

6. Indien met andere middelen een beschermingsniveau kan worden bereikt dat gelijkwaardig is aan het niveau dat door de toepassing van de uitvoeringsvoorschriften bij deze verordening wordt bereikt, kunnen de lidstaten, zonder onderscheid naar nationaliteit, goedkeuring verlenen in afwijking van de uitvoeringsvoorschriften.

In dat geval stelt de betrokken lidstaat het Agentschap en de Commissie in kennis van zijn voornemen een dergelijke goedkeuring te verlenen, met opgave van de redenen waaruit de noodzaak tot afwijking van de betrokken regel blijkt en van de voorwaarden die zijn vastgesteld om te waarborgen dat een gelijkwaardig beschermingsniveau wordt bereikt.

7. Binnen twee maanden nadat het overeenkomstig lid 6 in kennis is gesteld, laat het Agentschap, overeenkomstig artikel 18, onder b), een aanbeveling uitgaan omtrent de vraag of een overeenkomstig lid 6 voorgestelde goedkeuring voldoet aan de voorwaarden van dat lid.

De maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, door haar aan te vullen met nieuwe onderdelen, worden binnen een maand na ontvangst van de aanbeveling van het Agentschap vastgesteld, overeenkomstig de in artikel 65, lid 6, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. De maatregelen hebben betrekking op de vraag of een voorgestelde goedkeuring kan worden verleend. In een dergelijk geval brengt de Commissie dit besluit ter kennis van alle lidstaten, die dan het recht hebben die maatregel ook toe te passen. De bepalingen van artikel 15 zijn op de maatregel van toepassing.

Uitspraken die dit artikel aanhalen