Art. 12 Verordening (EG) nr. 216/2008, Aanvaarding van certificaten van derde landen
1. In afwijking van de bepalingen van deze verordening en de uitvoeringsvoorschriften ervan kunnen het agentschap of de luchtvaartautoriteiten in de lidstaat certificaten afgeven op basis van door luchtvaartautoriteiten van een derde land afgegeven certificaten, indien zulks geregeld is in erkenningsovereenkomsten tussen de Gemeenschap en dat land.
2. a) Indien de Gemeenschap geen overeenkomst heeft gesloten, kan een lidstaat of het Agentschap certificaten afgeven op basis van certificeringen door de bevoegde instanties van een derde land, op grond van een overeenkomst die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze verordening door die lidstaat met het betrokken land is gesloten en waarvan kennis is gegeven aan de Commissie en de andere lidstaten. Het agentschap kan ook namens een lidstaat dergelijke certificaten afgeven op grond van een door een van de lidstaten met het betrokken land gesloten overeenkomst.
b) Indien de Commissie van mening is dat:
— de bepalingen van zo’n overeenkomst geen veiligheidsniveau waarborgen dat gelijkwaardig is aan het door deze verordening en de uitvoeringsvoorschriften daarvan voorgeschreven niveau, en/of
— een dergelijke overeenkomst zou discrimineren tussen lidstaten zonder dat daar dwingende veiligheidsredenen voor zijn, dan wel strijdig is met communautair buitenlands beleid ten aanzien van een derde land,
kan zij volgens de in artikel 65, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 307 van het EG-Verdrag verzoeken de overeenkomst te wijzigen, de toepassing ervan op te schorten of de overeenkomst op te zeggen.
c) De lidstaten nemen de nodige maatregelen om overeenkomsten zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van een overeenkomst tussen de Gemeenschap en het betrokken derde land op te zeggen, voor wat betreft de gebieden die door laatstgenoemde overeenkomst worden bestreken.