Art. 11 Verordening (EG) nr. 216/2008, Erkenning van certificaten

Verordening (EG) nr. 216/2008

1. De lidstaten erkennen de in overeenstemming met deze verordening afgegeven certificaten, zonder nadere technische eisen te stellen of een beoordeling uit te voeren. Indien de oorspronkelijke erkenning een bijzonder doel of bijzondere doelen dient, geldt elke latere erkenning slechts voor hetzelfde doel of dezelfde doelen.

2. De Commissie kan eigener beweging of op verzoek van een lidstaat of van het Agentschap de in artikel 65, lid 7, bedoelde procedure inleiden om te besluiten of een overeenkomstig deze verordening afgegeven certificaat daadwerkelijk aan deze verordening en de uitvoeringsvoorschriften ervan voldoet.

Ingeval de verordening niet of niet-effectief wordt nageleefd, verplicht de Commissie de afgever van het certificaat om passende corrigerende en vrijwaringsmaatregelen te nemen, onder meer door dit certificaat te beperken of op te schorten. Voorts zijn de bepalingen van lid 1 niet langer op het certificaat van toepassing vanaf de datum waarop de lidstaten in kennis worden gesteld van het besluit van de Commissie.

3. Wanneer de Commissie over voldoende bewijs beschikt dat de in lid 2 bedoelde afgever passende corrigerende maatregelen met betrekking tot de niet- of niet-effectieve naleving van de verordening heeft genomen en de vrijwaringsmaatregelen niet langer nodig zijn, besluit zij dat de bepalingen van lid 1 opnieuw op dit certificaat van toepassing zijn. Deze bepalingen zijn van toepassing vanaf de datum waarop de lidstaten van dit besluit in kennis worden gesteld.

4. In afwachting van de vaststelling van de maatregelen, bedoeld in artikel 5, lid 5, artikel 7, lid 6, en artikel 9, lid 4, en onverminderd artikel 69, lid 4, mogen certificaten die niet in overeenstemming met deze verordening kunnen worden afgegeven, worden afgegeven op grond van de toepasselijke nationale regelgeving.

5. In afwachting van de vaststelling van de in artikel 8, lid 5, bedoelde maatregelen en onverminderd artikel 69, lid 4, mogen certificaten die niet in overeenstemming met deze verordening kunnen worden afgegeven, worden afgegeven op grond van de toepasselijke nationale regelgeving of, waar van toepassing, in overeenstemming met de toepasselijke eisen van Verordening (EEG) nr. 3922/1991.

6. Het bepaalde in dit artikel doet geen afbreuk aan Verordening (EG) nr. 2111/2005 en de uitvoeringsvoorschriften ervan.