Art. 8 Verordening (EG) nr. 216/2008, Vluchtuitvoeringen
1. De vluchtuitvoering met de in artikel 4, lid 1, onder b) en c), bedoelde luchtvaartuigen moet voldoen aan de essentiële eisen van bijlage IV.
2. Tenzij anders is bepaald in de uitvoeringsvoorschriften, toont de exploitant die betrokken is bij commerciële vluchtuitvoeringen aan over het vermogen en de middelen te beschikken om zich te kwijten van de aan zijn rechten verbonden verantwoordelijkheden. Het vermogen en de middelen worden erkend door middel van een certificaat. De rechten die aan de exploitant worden toegekend en de reikwijdte van de vluchtuitvoeringen worden in het certificaat gespecificeerd.
3. Tenzij anders is bepaald in de uitvoeringsvoorschriften, verklaart de exploitant die betrokken is bij niet-commerciële vluchtuitvoering met complexe motoraangedreven luchtvaartuigen te beschikken over het vermogen en de middelen om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden die aan vluchtuitvoering met dat luchtvaartuig verbonden zijn.
4. Het cabinepersoneel dat betrokken is bij de vluchtuitvoering met de in artikel 4, lid 1, onder b) en c), bedoelde luchtvaartuigen voldoet aan de essentiële eisen van bijlage IV. Degenen die betrokken zijn bij commerciële vluchtuitvoeringen zijn in het bezit van een attest als oorspronkelijk beschreven in bijlage III, subdeel O, onder d), van OPS 1.1005, als opgenomen in Verordening (EG) nr. 1899/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (10); dit attest kan, naar keuze van de lidstaat, door een erkende exploitant of een opleidingsorganisatie worden afgegeven.
5. De maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van dit artikel te wijzigen, door het aan te vullen, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 65, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Deze maatregelen specificeren in het bijzonder:
a) de voorwaarden voor vluchtuitvoering met een luchtvaartuig in overeenstemming met de essentiële eisen van bijlage IV;
b) de voorwaarden voor de afgifte, handhaving, wijziging, beperking, opschorting of intrekking van het in lid 2 bedoelde certificaat, alsmede de voorwaarden waaronder een certificaat wordt vervangen door een verklaring inzake het vermogen en de middelen van de exploitant om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden die aan vluchtuitvoering met het luchtvaartuig verbonden zijn;
c) de rechten en verantwoordelijkheden van de houder van een certificaat;
d) de voorwaarden en procedures voor het afleggen van de verklaring door de in lid 3 bedoelde exploitant en voor het toezicht op die exploitant, alsmede de voorwaarden waaronder een verklaring wordt vervangen door een demonstratie van het vermogen en de middelen om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden die verbonden zijn aan de rechten van de middels de afgifte van een certificaat erkende exploitant;
e) de voorwaarden voor de afgifte, handhaving, wijziging, beperking, opschorting of intrekking van de vergunning van het in lid 4 bedoelde cabinepersoneel;
f) de omstandigheden waarin vluchtuitvoeringen in het belang van de veiligheid mogen worden verboden, beperkt of aan voorwaarden onderworpen;
g) op welke wijze de uitvoering van vluchten met de in bijlage II, punt a), onder ii), en punten d) en h), bedoelde luchtvaartuigen, wanneer deze worden gebruikt voor de commerciële verkeersluchtvaart, voldoen aan de relevante essentiële eisen van bijlage IV.
6. De in lid 5 bedoelde maatregelen:
— zijn in overeenstemming met de stand van de techniek en met de beste prakrijken op het gebied van vluchtuitvoering;
— omschrijven verschillende typen vluchtuitvoering en bieden de mogelijkheid de desbetreffende eisen en conformiteitsbewijzen af te stemmen op de complexiteit van de vluchtuitvoeringen en het risico dat ermee gemoeid is;
— houden rekening met de wereldwijde ervaring met vliegtuigonderhoud en de vooruitgang van wetenschap en techniek;
— worden, onverminderd het vorige streepje, voor de commerciële verkeersluchtvaart, in eerste instantie ontwikkeld op basis van de gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures vermeld in bijlage III bij Verordening (EEG) nr. 3922/91;
— berusten op een risicobeoordeling en zijn evenredig aan de omvang en het bestek van de vlucht;
— bieden de mogelijkheid onmiddellijk te reageren op vastgestelde oorzaken van ongevallen en ernstige incidenten;
— leggen aan de in artikel 4, lid 1, onder c), bedoelde luchtvaartuigen geen eisen op die onverenigbaar zijn met de ICAO-verplichtingen van lidstaten.