Art. 5 Verordening (EG) nr. 216/2008, Luchtwaardigheid
1. De luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), b), en c), voldoen aan de in bijlage I vastgestelde essentiële luchtwaardigheidseisen.
2. Voor de luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b), en de daarop gemonteerde producten, onderdelen en uitrustingsstukken, wordt de overeenstemming als volgt aangetoond.
a) De producten zijn voorzien van een typecertificaat. Het typecertificaat en de verklaring van wijziging van het typecertificaat, waaronder begrepen het aanvullende typecertificaat, worden afgegeven indien de aanvrager heeft aangetoond dat het product voldoet aan een typecertificeringsgrondslag in de zin van artikel 20, die is vastgesteld om de naleving van de in lid 1 bedoelde essentiële eisen te waarborgen, en indien het product geen eigenschap of kenmerk bezit waardoor afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van de vluchtuitvoering. Het typecertificaat heeft betrekking op het product met alle daarop gemonteerde onderdelen en uitrustingsstukken.
b) Voor de onderdelen en uitrustingsstukken kan een specifiek certificaat worden afgegeven, indien is aangetoond dat zij voldoen aan de gedetailleerde luchtwaardigheidsspecificaties die zijn vastgesteld om de naleving van de in lid 1 bedoelde essentiële eisen te waarborgen.
c) Voor ieder luchtvaartuig wordt een afzonderlijk luchtwaardigheidsbewijs afgegeven, wanneer is aangetoond dat het luchtvaartuig in overeenstemming is met het typeontwerp dat in het typecertificaat is goedgekeurd en uit de relevante documentatie, inspecties en tests blijkt dat het luchtvaartuig veilig gebruikt kan worden. Dit bewijs van luchtwaardigheid blijft geldig zolang het niet wordt opgeschort, ingetrokken of beëindigd en het luchtvaartuig overeenkomstig de essentiële eisen inzake permanente luchtwaardigheid, bedoeld in punt 1.d van bijlage I en de in lid 5 bedoelde maatregelen, wordt onderhouden.
d) Organisaties die verantwoordelijk zijn voor het ontwerp, de bouw en het onderhoud van producten, onderdelen en uitrustingsstukken moeten aantonen dat zij de mogelijkheden en de middelen bezitten om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden die aan hun rechten verbonden zijn. Tenzij andersluidende regelingen zijn aanvaard, wordt het bestaan van dit vermogen en deze middelen erkend door de afgifte van een goedkeuring van de organisatie. De aan de goedgekeurde organisatie verleende rechten en het gebied waarop de goedkeuring betrekking heeft, worden in de goedkeuringsvoorwaarden vermeld.
e) Organisaties die belast zijn met het ontwerpen en bouwen van producten, onderdelen en uitrustingsstukken moeten aantonen dat zij het vermogen en de middelen bezitten om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden die aan hun rechten verbonden zijn. Tenzij andersluidende regelingen zijn aanvaard, wordt het bestaan van dit vermogen en deze middelen erkend door de afgifte van een goedkeuring van de organisatie. De aan de goedgekeurde organisatie verleende rechten en het gebied waarop de goedkeuring betrekking heeft, worden in de goedkeuringsvoorwaarden vermeld.
Daarnaast:
f) mag van het personeel dat belast is met de vrijgave na onderhoud van een product, onderdeel of uitrustingsstuk geëist worden dat het in bezit is van een geschikt certificaat („personeelscertificaat”);
g) kan aan organisaties voor onderhoudsscholing goedkeuring verleend worden, hetgeen de erkenning inhoudt dat zij in staat zijn zich te kwijten van de verantwoordelijkheden die verbonden zijn aan hun rechten wat de afgifte van de onder f) bedoelde certificaten betreft.
3. De in artikel 4, lid 1, onder a), genoemde luchtvaartuigen en de daarop gemonteerde producten, onderdelen en uitrustingsstukken voldoen aan lid 2, onder a, b) en e), van dit artikel.
4. In afwijking van de leden 1 en 2:
a) kan een vliegvergunning worden afgegeven wanneer is aangetoond dat het luchtvaartuig veilig een eenvoudige vlucht kan uitvoeren. De vergunning wordt afgegeven met passende beperkingen, in het bijzonder om de veiligheid van derden te beschermen;
b) kan een beperkt bewijs van luchtwaardigheid worden afgegeven voor een luchtvaartuig waarvoor geen typecertificaat overeenkomstig lid 2, onder a), is afgegeven. In dat geval wordt aangetoond dat het luchtvaartuig voldoet aan specifieke luchtwaardigheidsspecificaties en dat afwijkingen van de in lid 1 bedoelde essentiële eisen toch een passende, aan het doel beantwoordende veiligheid waarborgen. Welke luchtvaartuigen in aanmerking komen voor die beperkte bewijzen, en welke beperkingen voor het gebruik van die luchtvaartuigen gelden, wordt bepaald volgens de in lid 5 bedoelde maatregelen;
c) wanneer het aantal luchtvaartuigen van eenzelfde type dat in aanmerking komt voor een beperkt luchtwaardigheidsbewijs, zulks rechtvaardigt, kan een beperkt typecertificaat worden afgegeven en wordt een passende typecertificeringsgrondslag vastgesteld.
5. Maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van dit artikel te wijzigen, door het aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 65, lid 4. Deze maatregelen specificeren met name:
a) de voorwaarden voor de vaststelling en de kennisgeving aan een aanvrager van de typecertificeringsgrondslag voor een product;
b) de voorwaarden voor de vaststelling en de kennisgeving aan een aanvrager van de gedetailleerde luchtwaardigheidsspecificaties voor de onderdelen en uitrustingsstukken;
c) de voorwaarden voor de vaststelling en de kennisgeving aan een aanvrager van de specifieke luchtwaardigheidsspecificaties voor luchtvaartuigen die in aanmerking komen voor een beperkt bewijs van luchtwaardigheid;
d) de voorwaarden voor het verstrekken en het verspreiden van verplichte informatie om te waarborgen dat producten permanent luchtwaardig blijven;
e) de voorwaarden voor de afgifte, handhaving, wijziging, opschorting of intrekking van typecertificaten, beperkte typecertificaten, de goedkeuring van wijzigingen in typecertificaten, afzonderlijke luchtwaardigheidsbewijzen, beperkte luchtwaardigheidsbewijzen, vliegvergunningen en certificaten voor producten, onderdelen of uitrustingsstukken, daaronder begrepen:
i) de voorwaarden betreffende de geldigheidsduur van die certificaten, en de voorwaarden voor de verlenging van certificaten wanneer er een beperkte geldigheidsduur is vastgesteld;
ii) de beperkingen voor de afgifte van vliegvergunningen. Die beperkingen dienen met name betrekking te hebben op:
— het doel van de vlucht;
— het voor de vlucht gebruikte luchtruim;
— de kwalificaties van het cockpitpersoneel;
— het vervoer van andere personen dan het cockpitpersoneel;
iii) de luchtvaartuigen die in aanmerking komen voor beperkte luchtwaardigheidsbewijzen met de daaraan verbonden beperkende voorwaarden;
iv) het minimumopleidingsprogramma voor het verkrijgen van een certificaat voor vrijgave na onderhoud, teneinde te voldoen aan lid 2, onder f);
v) het minimumopleidingsprogramma voor het verkrijgen van de typekwalificatie piloot en de kwalificatie van bijbehorende vluchtnabootsers, teneinde te voldoen aan artikel 7;
vi) de lijst met de passende minimumuitrusting, alsmede de aanvullende luchtwaardigheidsspecificaties voor een bepaald soort vluchtuitvoering, teneinde te voldoen aan artikel 8;
f) de voorwaarden voor de afgifte, handhaving, wijziging, opschorting of intrekking van de overeenkomstig lid 2, onder d), e) en g), vereiste goedkeuring van organisaties, en de voorwaarden waaronder die goedkeuring niet gevraagd behoeft te worden;
g) de voorwaarden voor afgifte, handhaving, wijziging, opschorting of intrekking van het overeenkomstig lid 2, onder f), vereiste personeelscertificaat;
h) de verantwoordelijkheden van de houder van een certificaat;
i) de wijze waarop voor in lid 1 bedoelde luchtvaartuigen die niet vallen onder de lid 2 of lid 4, overeenstemming met de essentiële eisen wordt aangetoond;
j) de wijze waarop wordt aangetoond dat luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c), overeenstemmen met de essentiële eisen.
6. Bij de vaststelling van de in lid 5 bedoelde maatregelen draagt de Commissie er in het bijzonder zorg voor dat:
a) die voorschriften in overeenstemming zijn met de stand van de techniek en de beste praktijken op het gebied van luchtwaardigheid;
b) rekening wordt gehouden met de wereldwijde ervaring met vliegtuigonderhoud en de vooruitgang van wetenschap en techniek;
c) het mogelijk wordt gemaakt onmiddellijk te reageren op vastgestelde oorzaken van ongevallen en ernstige incidenten;
d) zij aan de in artikel 4, lid 1, onder c), bedoelde luchtvaartuigen geen eisen opleggen die onverenigbaar zijn met de verplichtingen van lidstaten in het kader van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO).