Art. 6, Aangiften rechtstreekse verkoop
1. Wat de rechtstreekse verkoop betreft, neemt de producent aan het einde van elk in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 bedoeld tijdvak in een aangifte, per product, de rechtstreeks aan de consument en/of aan groothandelaars, affineurs of kleinhandelaars verkochte hoeveelheden melk en/of andere zuivelproducten op.
Voor een schrikkeljaar wordt de hoeveelheid melk of melkequivalent verlaagd met hetzij een zestigste van de in de maanden februari en maart rechtstreeks verkochte hoeveelheden, hetzij een driehonderdzesenzestigste van de in het betrokken tijdvak van twaalf maanden rechtstreeks verkochte hoeveelheden.
2. De producent zendt jaarlijks vóór 15 mei zijn aangifte toe aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat.
De lidstaat mag bepalen dat een producent die over een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop beschikt, verplicht is om in voorkomend geval aan te geven dat hij in de betrokken periode geen melk heeft verkocht.
3. De producent is in geval van niet-inachtneming van de in lid 2 bedoelde termijn een bedrag per kalenderdag overschrijding verschuldigd dat gelijk is aan de heffing over een overschrijding met 0,01 % van de referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop waarover hij beschikt. Dit bedrag mag niet minder dan 100 EUR en niet meer dan 1000 EUR bedragen.
Als hij deze referentiehoeveelheid heeft overschreden en de nationale referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop ook is overschreden, is hij ook de heffing over de totale overschrijding verschuldigd en komt hij niet in aanmerking voor de eventuele verdeling van de niet-gebruikte referentiehoeveelheden als bedoeld in artikel 2, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 3950/92.
Als de producent een onjuiste aangifte heeft ingediend, legt de lidstaat hem de verplichting op een bedrag te betalen dat evenredig is aan de betrokken hoeveelheid melk en de ernst van de onregelmatigheid en dat ten hoogste gelijk is aan de theoretische heffing over de hoeveelheid melk die het gevolg is van de toegepaste correctie.
4. Indien de aangifte niet vóór 1 juli wordt ingediend, is na afloop van een termijn van 30 dagen na de aanmaning door de lidstaat, het bepaalde in artikel 5, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 3950/92 van toepassing op de referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop van de betrokken producent. Lid 3, eerste alinea, van dit artikel blijft gedurende de aanmaningsperiode van toepassing.
5. De in de leden 3 en 4 bedoelde sancties worden niet opgelegd, als de lidstaat vaststelt dat sprake is van overmacht, of dat de onregelmatigheid niet opzettelijk of niet uit grove nalatigheid is begaan, of dat zij voor het functioneren van de regeling en de doeltreffendheid van de controles van zeer gering belang is.