Art. 3, Representatief vetgehalte
1. De in artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 bedoelde kenmerken van de melk, waaronder het vetgehalte, zijn de kenmerken van de op 31 maart 2002 beschikbare individuele referentiehoeveelheid.
Wanneer de individuele referentiehoeveelheid na de in de eerste alinea bedoelde datum wordt gewijzigd, zijn de bepalingen van de leden 2 tot en met 6 van toepassing.
2. Het representatieve vetgehalte van de melk blijft ongewijzigd in geval van toewijzing van extra referentiehoeveelheden uit de nationale reserve.
3. Wanneer op grond van artikel 4, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3950/92 de referentiehoeveelheid voor leveringen wordt verhoogd of vastgesteld, wordt het representatieve vetgehalte van de in een referentiehoeveelheid voor leveringen omgezette hoeveelheid vastgesteld op 3,8 %.
Het representatieve vetgehalte van de referentiehoeveelheid voor leveringen blijft echter ongewijzigd als de producent dit ten genoegen van de bevoegde autoriteit motiveert.
4. Bij toepassing van de artikelen 6 en 7 en artikel 8, onder d) en e), van Verordening (EEG) nr. 3950/92 wordt het representatieve vetgehalte overgedragen met de bijbehorende referentiehoeveelheid.
5. Bij toepassing van artikel 8, onder b), of artikel 8 bis, onder b), van Verordening (EEG) nr. 3950/92, moet het totale representatieve vetgehalte van de toegekende of overgedragen referentiehoeveelheden ongewijzigd blijven ten opzichte van dat van de afgestane hoeveelheden. Hiertoe kan de hoeveelheid melk die beschikbaar is voor herverdeling of overdracht worden herberekend aan de hand van een bepaald vetgehalte, of kan, omgekeerd, het referentievetgehalte worden herberekend aan de hand van een bepaalde beschikbare hoeveelheid melk.
6. In de in lid 3, eerste alinea, en in de leden 4 en 5, bedoelde gevallen is het daaruit resulterende representatieve vetgehalte gelijk aan het gemiddelde van het oorspronkelijke en het overgedragen of omgezette representatieve vetgehalte, gewogen aan de hand van de oorspronkelijke en de overgedragen of omgezette referentiehoeveelheid.
7. Voor producenten die over een volledig uit de nationale reserve afkomstige referentiehoeveelheid beschikken en die na 1 april 1992 met hun activiteit zijn begonnen, geldt als representatief vetgehalte van de melk het gemiddelde vetgehalte van de melk die tijdens de eerste twaalf maanden van hun activiteit wordt geleverd.
Indien het representatieve vetgehalte echter hoger ligt dan het nationale gemiddelde vetgehalte van de melk die in die lidstaat wordt opgehaald in de referentieperiode van twaalf maanden waarin zij met hun activiteit zijn begonnen, gelden de volgende bepalingen:
a) de betrokken producenten komen slechts voor de in artikel 4, lid 1, derde alinea, bedoelde negatieve correctie in aanmerking indien zij daartoe de nodige bewijzen overleggen,
b) bij toepassing van de artikelen 6 en 7, artikel 8, onder b), d) en e), en artikel 8 bis, onder b), van Verordening (EEG) nr. 3950/92, wordt het representatieve vetgehalte van de overgedragen hoeveelheid verlaagd tot het bovenbedoelde nationale gemiddelde vetgehalte.