Art. 2, Definities en equivalenties
1. Voor de berekening van de bij Verordening (EEG) nr. 3950/92 ingestelde extra heffing wordt onder de in een lidstaat "op de markt gebrachte hoeveelheden melk of melkequivalent" in de zin van artikel 2, lid 1, van genoemde verordening iedere hoeveelheid melk of melkequivalent verstaan die een op het grondgebied van die lidstaat gelegen bedrijf verlaat.
2. De hoeveelheden die door een producent voor be- of verwerking in het kader van een loonwerkcontract worden overgedragen, worden als een levering beschouwd.
Bij levering van geheel of gedeeltelijk afgeroomde melk moet de producent ten genoegen van de bevoegde autoriteit bewijzen dat bij de vaststelling van de grondslag voor de eventuele heffing het melkvetgehalte is meegeteld. Wanneer dat bewijs niet wordt geleverd, wordt de melk voor de berekening van de heffing als volle melk aangemerkt.
3. Voor het op de markt brengen van andere zuivelproducten stellen de lidstaten vast welke hoeveelheden melk voor de productie ervan zijn gebruikt. De daarbij te hanteren equivalenties zijn:
a) 1 kg room = 0,263 kg melk x procentueel vetgehalte van de room, uitgedrukt in massa;
b) 1 kg boter = 22,5 kg melk;
c) voor kaas en alle andere zuivelproducten kunnen de lidstaten hetzij de equivalenties bepalen op basis van met name het drogestofgehalte en het vetgehalte van de betrokken soorten kaas of andere producten, hetzij de hoeveelheden melkequivalent forfaitair vaststellen op grond van het aantal melkkoeien van de producent en een voor het bestand representatieve gemiddelde melkgift per koe.
Indien de producent ten genoegen van de bevoegde autoriteit de hoeveelheden die werkelijk voor de vervaardiging van de betrokken producten zijn gebruikt, kan aantonen, baseert de lidstaat zich op die bewezen hoeveelheden in plaats van uit te gaan van de bovenbedoelde equivalenties.
4. De voor de berekening van de heffing toe te passen richtprijs is die welke op de laatste dag van het betrokken tijdvak van twaalf maanden geldt.