Art. 4 Verordening (EEG) nr. 259/93
1. De bevoegde autoriteit van bestemming zendt binnen drie werkdagen na ontvangst van de kennisgeving een ontvangstbevestiging aan de kennisgever en een afschrift daarvan aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten en aan de ontvanger.
2. a) Vanaf de datum van verzending van de ontvangstbevestiging beschikt de bevoegde autoriteit van bestemming over 30 dagen om te besluiten al dan niet onder voorwaarden een vergunning te verlenen voor de overbrenging of deze te weigeren. Zij kan ook aanvullende inlichtingen vragen.
Zij verleent alleen een vergunning voor de overbrenging als er noch bij haar noch bij de andere bevoegde autoriteiten bezwaren bestaan. Aan deze vergunning kunnen vervoersvoorwaarden als bedoeld onder d), zijn verbonden.
De bevoegde autoriteit van bestemming neemt haar besluit op zijn vroegst 21 dagen na verzending van de ontvangstbevestiging. Zij mag haar besluit echter eerder nemen, indien zij de schriftelijke toestemming van de andere betrokken bevoegde autoriteiten heeft.
De bevoegde autoriteit van bestemming zendt haar besluit schriftelijk aan de kennisgever, met afschrift aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten.
b) De bevoegde autoriteiten van verzending en van doorvoer kunnen binnen 20 dagen na verzending van de ontvangstbevestiging bezwaren maken. Zij kunnen tevens aanvullende informatie vragen. Deze bezwaren worden schriftelijk aan de kennisgever medegedeeld, met afschrift aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten.
c) De onder a) en b) bedoelde bezwaren en voorwaarden worden gebaseerd op lid 3.
d) De bevoegde autoriteiten van verzending en van doorvoer kunnen binnen 20 dagen na verzending van de ontvangstbevestiging voorwaarden verbinden aan het vervoer van de afvalstoffen binnen hun rechtsgebied.
Deze voorwaarden moeten schriftelijk aan de kennisgever worden medegedeeld, met afschrift aan de betrokken bevoegde autoriteiten, en in het begeleidende document worden vermeld. Zij mogen niet strenger zijn dan die voor soortgelijke, volledig binnen hun rechtsgebied vallende overbrengingen en dienen met bestaande overeenkomsten, in het bijzonder internationale verdragen ter zake, in overeenstemming te zijn.
3. a) i) De Lid-Staten kunnen in overeenstemming met het Verdrag maatregelen nemen om overbrenging van afvalstoffen algemeen of gedeeltelijk te verbieden of daar stelselmatig bezwaar tegen te maken, ten einde overeenkomstig Richtlijn 75/442/EEG de beginselen van nabijheid, voorrang voor nuttige toepassing en zelfverzorging toe te passen op communautair en nationaal niveau. Van dergelijke maatregelen wordt onmiddellijk kennis gegeven aan de Commissie, die de andere Lid-Staten informeert.
ii) Wanneer het gaat om gevaarlijke afvalstoffen (zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG) die in een Lid-Staat van verzending over het algemeen per jaar in zulke kleine hoeveelheden worden geproduceerd dat het economisch niet verantwoord zou zijn in die Staat nieuwe gespecialiseerde verwijderingsinstallaties te bouwen, is het onder i) bepaalde niet van toepassing.
iii) De Lid-Staat van bestemming werkt met de Lid-Staat van verzending die van mening is dat ii) van toepassing is, samen, ten einde de zaak bilateraal op te lossen. Indien er geen bevredigende oplossing wordt bereikt, kan elk van beide Lid-Staten de zaak aan de Commissie voorleggen. Deze neemt volgens de procedure van artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG een beslissing.
b) De bevoegde autoriteiten van verzending en van bestemming kunnen, rekening houdend met geografische omstandigheden en de behoefte aan gespecialiseerde installaties voor bepaalde soorten afvalstoffen, gemotiveerde bezwaren tegen de voorgenomen overbrenging maken, indien deze niet in overeenstemming is met Richtlijn 75/442/EEG, in het bijzonder de artikelen 5 en 7:
i) ten einde het beginsel van zelfverzorging op communautair en nationaal niveau toe te passen;
ii) wanneer de installatie afvalstoffen uit een dichterbij gelegen bron moet verwijderen en door de bevoegde autoriteit voorrang aan die afvalstoffen is gegeven;
iii) om te waarborgen dat de overbrenging in overeenstemming is met de afvalbeheersplannen.
c) De bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en van doorvoer kunnen bovendien gemotiveerde bezwaren tegen de voorgenomen overbrenging maken:
- indien de overbrenging niet in overeenstemming is met nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake milieubescherming, openbare orde, openbare veiligheid of bescherming van de volksgezondheid;
- indien de kennisgever of de ontvanger zich in het verleden aan sluikhandel schuldig heeft gemaakt. In dat geval kan de bevoegde autoriteit van verzending alle zendingen waarbij de persoon in kwestie betrokken is overeenkomstig nationale wetgeving weigeren, of
- indien de overbrenging in strijd is met de verplichtingen die voortvloeien uit door de Lid-Staat of Lid-Staten vóór de toepassing van deze verordening gesloten internationale overeenkomsten.
4. Indien de bevoegde autoriteiten binnen de in lid 2 vermelde termijnen van mening zijn dat de problemen die aanleiding waren voor hun bezwaren zijn opgelost en dat aan de vervoersvoorwaarden zal worden voldaan, delen zij dat de kennisgever onmiddellijk schriftelijk mede, met afschrift aan de ontvanger en aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten.
Indien er naderhand een wezenlijke wijziging in de overbrengingsvoorwaarden optreedt, moet opnieuw kennisgeving worden gedaan.
5. De bevoegde autoriteit van bestemming maakt haar toestemming kenbaar door het begeleidende document op passende wijze af te stempelen.