Art. 1 Verordening (EEG) nr. 259/93
1. Deze verordening is van toepassing op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Gemeenschap.
2. Onder deze verordening vallen niet:
a) het lossen aan wal van door de normale werking van schepen en offshore platforms voortgebrachte afvalstoffen, waaronder begrepen afvalwater en residuen, voor zover dergelijke afvalstoffen aan een specifiek, bindend internationaal instrument zijn onderworpen;
b) overbrenging van afvalstoffen van de burgerluchtvaart;
c) overbrenging van radioactieve afvalstoffen als omschreven in artikel 2 van Richtlijn 92/3/Euratom van de Raad van 3 februari 1992 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen Lid-Staten en naar en vanuit de Gemeenschap (6);
d) overbrenging van afvalstoffen, genoemd in artikel 2, lid 1, onder b), van Richtlijn 75/442/EEG, wanneer zij reeds onder andere voorschriften ter zake vallen;
e) overbrenging van afvalstoffen naar de Gemeenschap waarbij wordt voldaan aan de voorschriften van het Protocol inzake milieubescherming bij het Antarctica-Verdrag.
3. a) Overbrenging van afvalstoffen die alleen bestemd zijn voor nuttige toepassing en in bijlage II worden genoemd, valt evenmin onder de bepalingen van deze verordening, behoudens voor zover bepaald onder b), c), d) en e), in artikel 11 en in artikel 17, leden 1, 2 en 3.
b) Op deze afvalstoffen zijn alle bepalingen van Richtlijn 75/442/EEG van toepassing. Zij dienen met name:
- alleen te zijn bestemd voor naar behoren erkende inrichtingen die een vergunning hebben overeenkomstig de artikelen 10 en 11 van Richtlijn 75/442/EEG;
- te worden onderworpen aan alle bepalingen van de artikelen 8, 12, 13 en 14 van Richtlijn 75/442/EEG.
c) Bepaalde in bijlage II genoemde afvalstoffen kunnen echter, onder meer als zij een van de in bijlage III bij Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (7) genoemde gevaarlijke eigenschappen bezitten, worden gecontroleerd, alsof zij in bijlage III of IV waren genoemd.
De afvalstoffen en het besluit omtrent de keuze van de te volgen procedure worden volgens de procedure van artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG vastgesteld. Dergelijke afvalstoffen worden opgenomen in bijlage II A.
d) In uitzonderlijke gevallen kunnen de Lid-Staten uit overwegingen van milieuhygiëne of volksgezondheid controle uitoefenen op overbrengingen van in bijlage II genoemde afvalstoffen alsof zij in bijlage III of IV waren genoemd.
De Lid-Staten die gebruik maken van deze mogelijkheid stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van dergelijke gevallen en informeren, indien van toepassing, de andere Lid-Staten met vermelding van de redenen voor hun besluit. De Commissie kan een dergelijk optreden volgens de procedure van artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG bevestigen, onder meer, indien dat passend is, door dergelijke afvalstoffen toe te voegen aan bijlage II A.
e) Wanneer in bijlage II genoemde afvalstoffen in strijd met deze verordening of met Richtlijn 75/442/EEG worden overgebracht, kunnen de Lid-Staten passende bepalingen van de artikelen 25 en 26 van deze verordening toepassen.