Art. 9 Verordening (EEG) nr. 259/93

Verordening (EEG) nr. 259/93

1. De bevoegde autoriteiten die rechtsmacht bezitten over specifieke inrichtingen voor nuttige toepassing kunnen niettegenstaande artikel 7 besluiten dat zij geen bezwaar zullen maken tegen overbrengingen van bepaalde soorten afvalstoffen naar een bepaalde inrichting voor nuttige toepassing. Een dergelijk besluit kan beperkt zijn tot een aangegeven tijdsduur; het kan echter op ieder ogenblik worden ingetrokken.

2. Bevoegde autoriteiten die van deze mogelijkheid gebruik maken stellen de Commissie in kennis van naam en adres van de inrichting voor nuttige toepassing, gebruikte technologieën, soorten afvalstoffen waarop het besluit van toepassing is en de periode waarvoor het geldt. Van intrekking moet eveneens mededeling worden gedaan aan de Commissie.

De Commissie zendt deze informatie terstond aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten in de Gemeenschap en aan het secretariaat van de OESO.

3. Voor iedere voorgenomen overbrenging naar dergelijke inrichtingen is kennisgeving aan de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 6 vereist. Een dergelijke kennisgeving dient te zijn aangekomen voordat de afvalstoffen worden overgebracht.

De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten van verzending en doorvoer kunnen op grond van artikel 7, lid 4, bezwaren maken tegen dergelijke overbrengingen of vervoersvoorwaarden opleggen.

4. Wanneer de bevoegde autoriteiten op grond van de bepalingen van hun interne wetgeving het in artikel 6, lid 6, bedoelde contract moeten toetsen, stellen die autoriteiten de Commissie daarvan in kennis. In dat geval moet de kennisgevingsinformatie met de te toetsen contracten of gedeelten daarvan zeven dagen vóór de verzending van de afvalstoffen aankomen om te waarborgen dat de toetsing naar behoren kan plaatsvinden.

5. Met betrekking tot de feitelijke overbrenging is artikel 8, leden 2 tot en met 6, van toepassing.