Art. 11 Verordening (EEG) nr. 1546/88
1. Voor de berekening van de voor levering van room en boter geldende heffing moeten de volgende equivalenties worden gebruikt:
a) 1 kg room =
26,3 kg melk × vetgehalte van de room
100
b) 1 kg boter = 22,5 kg melk. 2. Voor kaas kunnen de Lid-Staten de equivalenties vaststellen op grond van het droge-stofgehalte en het vetgehalte van de betrokken kaassoorten, of de hoeveelheden melkequivalent bepalen op grond van het aantal melkkoeien van de producent en de gemiddelde melkgift per koe in het gebied.
3. Indien de producent ten genoegen van de bevoegde instantie kan aantonen welke hoeveelheden werkelijk voor de vervaardiging van de betrokken produkten zijn gebruikt, mogen de Lid-Staten zich op die bewezen hoeveelheden baseren in plaats van uit te gaan van de in de leden 1 en 2 bedoelde equivalenties.
4. Bij levering van geheel of gedeeltelijk afgeroomde melk moet de producent ten genoegen van de bevoegde instantie aantonen dat bij de berekening van de heffing met het melkvet rekening is gehouden. Indien zulks niet wordt aangetoond, passen de Lid-Staten op de leveringen van de geheel of gedeeltelijk afgeroomde melk de in artikel 5 quater van Verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing toe.