Art. 6 Verordening (EEG) nr. 1546/88

Verordening (EEG) nr. 1546/88

Wanneer ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5 quater, lid 7, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 804/68 en in artikel 6, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 857/84 de gegarandeerde totale hoeveelheden worden aangepast, worden de hoeveelheden die aan de oorspronkelijk vastgestelde totale hoeveelheid zijn toegevoegd, toegewezen aan de in artikel 5, lid 5 of lid 6, bedoelde producenten of, in voorkomend geval, opgenomen in de reserve als bedoeld in artikel 5 of artikel 6, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 857/84. Artikel 7

Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 857/84, en onverminderd lid 3 van genoemd artikel, worden de referentiehoeveelheden van producenten en kopers in het kader van de formules A en B, en de referentiehoeveelheden van producenten die hun produkten rechtstreeks aan de consument verkopen, als volgt overgedragen:

1. in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van het gehele bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt;

2. in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van een of meer gedeelten van het bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid over de producenten die het bedrijf overnemen, verdeeld op basis van de respectieve, voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten of van andere, door de Lid-Staten vastgestelde objectieve criteria. De Lid-Staten kunnen bepalen dat geen rekening wordt gehouden met overgedragen gedeelten, waarvan de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakte kleiner is dan een door hen vast te stellen minimum. Het gedeelte van de referentiehoeveelheid dat met deze oppervlakte overeenkomt mag geheel aan de reserve worden toegevoegd;

3. het bepaalde in de punten 1 en 2 en in de vierde alinea is van overeenkomstige toepassing voor andere gevallen van overgang die, op grond van de nationale regelingen, voor de producenten vergelijkbare juridische consequenties hebben;

4. in geval van toepassing van hetgeen in artikel 7, lid 1, tweede alinea, en lid 4, van Verordening (EEG) nr. 857/84 is bepaald met betrekking tot de overdracht van gronden aan de overheid en/of ten algemenen nutte, respectievelijk met betrekking tot lopende pachtovereenkomsten die niet op soortgelijke voorwaarden als de tot dan geldende kunnen worden verlengd, wordt de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf of het bedrijfsdeel waarop de overdracht of de niet-verlengde pachtovereenkomst betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk ter beschikking van de betrokken producent gesteld indien deze voornemens is de melkproduktie voort te zetten, op voorwaarde dat de som van de aldus tot zijn beschikking gestelde referentiehoeveelheid en de hoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf dat hij overneemt of waarop hij zijn produktie voortzet, niet groter is dan de referentiehoeveelheid waarover hij vóór de overdracht of het verstrijken van de pachtovereenkomst beschikte.

De Lid-Staten kunnen het bepaalde in de punten 1, 2 en 4 toepassen ten aanzien van overgangen die tijdens en sinds de referentieperiode zijn gebeurd.

Bij toepassing van artikel 7, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EEG) nr. 857/84 kunnen die Lid-Staten, met inachtneming van de in die bepaling vastgestelde grens, het aan de reserve toegevoegde gedeelte van de referentiehoeveelheid differentiëren aan de hand van criteria met betrekking tot de grootte van de betrokken bedrijven.

De referentiehoeveelheid die overeenstemt met een bedrijf respectievelijk met een of meer gedeelten van een bedrijf dat, respectievelijk die de koper, de huurder of de erfgenaam niet voor de melkproduktie wenst te gebruiken, mag aan de reserve worden toegevoegd.

Vorige artikelen

Volgende artikelen