Art. 5 Verordening (EEG) nr. 1546/88

Verordening (EEG) nr. 1546/88

1. Alle in artikel 5 quater, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde producenten van melk en zuivelprodukten moeten vóór een door de Lid-Staat vast te stellen datum bij de door die Lid-Staat aangewezen bevoegde instantie een aanvraag tot registratie indienen die vergezeld gaat van een staat waarin de aard en de hoeveelheid van de rechtstreekse verkopen in het referentiekalenderjaar worden vermeld.

(1) PB nr. L 148 van 28. 6. 1968, blz. 13.

(2) PB nr. L 110 van 29. 4. 1988, blz. 27.

(3) PB nr. L 90 van 1. 4. 1984, blz. 13.

(4) PB nr. L 110 van 29. 4. 1988, blz. 28.

(5) PB nr. L 164 van 24. 6. 1985, blz. 1.

(6) PB nr. L 153 van 13. 6. 1987, blz. 1.

(7) PB nr. L 132 van 18. 5. 1984, blz. 11.

(8) PB nr. L 44 van 17. 2. 1988, blz. 5.

Bedoelde datum mag echter niet later liggen dan 31 december 1984.

Voor Spanje wordt in de tweede alinea in plaats van de datum »31 december 1984" gelezen »31 maart 1987".

2. Producenten die op of na 1 januari 1981, maar vóór 1 april 1984 met rechtstreekse verkoop van melk en zuivelprodukten zijn begonnen en producenten in wier activiteit ter zake sinds 1 januari 1981 sterke wijziging is gekomen, vermelden in de bij de aanvraag tot registratie gevoegde staat, de aard en de hoeveelheid van de rechtstreekse verkopen, eventueel aangegeven in melkequivalent, tijdens de laatste twaalf maanden van hun activiteit.

Producenten die minder dan twaalf maanden geleden met rechtstreekse verkoop zijn begonnen, vermelden de aard en de hoeveelheid van de in de periode van feitelijke verkoop verkochte produkten.

Voor Spanje wordt in de eerste alinea in plaats van »1 januari 1981", onderscheidenlijk »1 april 1984" gelezen »1 januari 1983", onderscheidenlijk »1 april 1986".

3. In afwijking van het bepaalde in de leden 1 en 2 kunnen de Lid-Staten bepalen dat producenten met minder dan vier melkkoeien slechts het aantal melkkoeien behoeven te vermelden; voorts kunnen de Lid-Staten bepalen dat de aard van de in de handel gebrachte produkten moet worden vermeld.

4. Door de Lid-Staten wordt, binnen de grenzen van de in artikel 6, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 857/84 bedoelde en in de bijlage bij die verordening vastgestelde hoeveelheden:

a) aan de in lid 1 bedoelde producenten een referentiehoeveelheid toegewezen die overeenkomt met hun rechtstreekse verkopen in het kalenderjaar 1981 verhoogd met 1 % of in het kalenderjaar 1982 of 1983, al naar het geval, gecorrigeerd met een uniform percentage ten einde te voldoen aan het bepaalde in genoemd artikel 6, lid 2, onverminderd de toepassing van artikel 2, lid 2, van deze verordening indien wordt gekozen voor het kalenderjaar 1982 of 1983;

b) aan de in lid 2 bedoelde producenten een referentiehoeveelheid toegewezen die overeenkomt met de door hen in de laatste twaalf maanden van rechtstreekse verkoop vóór 1 april 1984 verkochte hoeveelheden, waarop eventueel een percentage wordt toegepast; voor producenten met minder dan twaalf maanden rechtstreekse verkoop stellen de Lid-Staten op grond van de feitelijk verkochte hoeveelheden een jaarhoeveelheid vast en wijzen hun overeenkomstig bovenstaande bepalingen een referentiehoeveelheid toe.

Aan producenten evenwel die gebruik maken van de in lid 3 vastgestelde afwijkende bepalingen, wordt door de Lid-Staten een forfaitaire referentiehoeveelheid toegewezen bij de vaststelling waarvan rekening wordt gehouden met het aantal melkkoeien van de producent, de gemiddelde melkgift per koe in het gebied en eventueel het gemiddelde percentage in de handel gebrachte melk en eventuele leveranties aan een koper.

Voor Spanje:

- komt de in de eerste alinea, onder a), bedoelde referentiehoeveelheid overeen met de rechtstreekse verkopen van het kalenderjaar 1983, 1984 of 1985, gecorrigeerd met een uniform percentage ten einde aan artikel 6, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 857/84 te voldoen, onverminderd de toepassing van artikel 2, lid 2, van de onderhavige verordening;

- wordt in de eerste alinea, onder b), in plaats van »1 april 1984" gelezen »1 april 1986".

5. Producenten aan wie een referentiehoeveelheid is toegewezen overeenkomstig lid 4 en die hun rechtstreekse verkoop geheel of gedeeltelijk beëindigen, mogen hun melk en zuivelprodukten aan een koper leveren in het kader van de formules A en B, op voorwaarde dat de Lid-Staat hun een referentiehoeveelheid kan toewijzen binnen de grenzen van de in artikel 5 quater van Verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde gegarandeerde hoeveelheid.

6. Producenten aan wie in het kader van formule A of formule B een referentiehoeveelheid is toegewezen en die hun leveringen aan kopers geheel of gedeeltelijk beëindigen, kunnen een referentiehoeveelheid toegewezen krijgen in het kader van artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 857/84, als de Lid-Staat hun deze hoeveelheid kan toewijzen binnen de grenzen van de in genoemd artikel 6, lid 2, bedoelde en in de bijlage van voornoemde verordening vastgestelde hoeveelheden.

7. Binnen de grenzen van de hoeveelheden die beschikbaar zijn gekomen in het kader van lid 5 en door beëindiging van bedrijfsactiviteit, eventueel krachtens artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 857/84, kunnen de Lid-Staten aan producenten die produkten rechtstreeks aan de consument verkopen, een extra referentiehoeveelheid of een specifieke hoeveelheid toewijzen, voor zover aan de in artikel 3 en artikel 4, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EEG) nr. 857/84 vastgestelde voorwaarden wordt voldaan.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen