Art. 49 Verordening (EEG) nr. 337/79

Verordening (EEG) nr. 337/79

1. Behoudens afwijkingen waartoe de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit , mogen alleen druiven afkomstig van de in artikel 30 bedoelde aanbevolen of toegestane wijnstokrassen , alsmede daaruit verkregen produkten , in de Gemeenschap worden gebruikt voor de bereiding van :

- druivemost waarvan de gisting door toevoegen van alcohol is gestuit ,

- geconcentreerde druivemost ,

- wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt ,

- tafelwijn ,

- v.q.p.r.d . ,

- likeurwijn .

2. Druiven afkomstig van percelen , beplant met rassen die zijn ingedeeld als tijdelijk toegestane rassen , worden evenwel ook als geschikt beschouwd om tot de in lid 1 genoemde produkten , met uitzondering van v.q.p.r.d . , te kunnen worden verwerkt

a) wanneer het

- uit raskruisingen ( hybriden voor rechtstreekse teelt ) verkregen rassen betreft , tot en met 31 december 1979 ;

- andere rassen betreft , tot en met 31 december 1983 , voor zover deze rassen voor 31 december 1976 als tijdelijk toegestane rassen zijn ingedeeld ;

b) wanneer het desbetreffende ras na 31 december 1976 als tijdelijk toegestaan ras is ingedeeld , gedurende een periode van vijftien jaar vanaf de datum waarop dat ras aldus is ingedeeld .

Vorige artikelen

Volgende artikelen