Art. 9

1. De Lid-Staten mogen , indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat , om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5 , 6 , 7 en 8 :

a) - in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid ,

- in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer ,

- ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen , vee , bossen , visserij en wateren ,

- ter bescherming van flora en fauna ;

b) voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs , het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt ;

c) ten einde het vangen , het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan .

2. In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld :

- voor welke soorten mag worden afgeweken ,

- welke middelen , installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan ,

- onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen ,

- welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan , en te beslissen welke middelen , installaties of methoden mogen worden aangewend , binnen welke grenzen en door welke personen ,

- welke controles zullen worden uitgevoerd .

3. De Lid-Staten zenden de Commissie jaarlijks een verslag toe over de toepassing van dit artikel .

4. In het licht van de inlichtingen waarover zij beschikt en met name van die welke haar krachtens lid 3 worden verstrekt , ziet de Commissie er voortdurend op toe dat de gevolgen van deze afwijkende maatregelen niet onverenigbaar zijn met deze richtlijn . Zij neemt in dat verband de nodige initiatieven .

Uitspraken die dit artikel aanhalen