Art. 5
Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten ; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen :
a) een verbod om , ongeacht de gebruikte methode , opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen ;
b) een verbod om opzettelijk hun nesten en eieren te vernielen of te beschadigen of hun nesten weg te nemen ;
c) een verbod om in de natuur eieren van deze vogels te rapen en deze - zelfs leeg - in bezit te hebben ;
d) een verbod om deze vogels , met name gedurende de broedperiode , opzettelijk te storen , voor zover een dergelijke storing , gelet op de doelstellingen van deze richtlijn , van wezenlijke invloed is ;
e) een verbod om vogels te houden van soorten die niet mogen worden bejaagd of gevangen .