Rb. Utrecht 3 juni 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BI7760

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat artikel 68, eerste lid, Flora- en faunawet in strijd is met artikel 9 Vogelrichtlijn voor zover artikel 68, eerste lid, Ffw het mogelijk maakt ontheffing te verlenen van artikel 72, vijfde lid, Ffw. Ingevolge artikel 72, vijfde lid, Ffw is het verboden dieren te vangen of te doden met andere middelen dan genoemd in artikel 5 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren. Gedeputeerde Staten heeft in het bestreden besluit ontheffing verleend van artikel 72, vijfde lid Ffw door een dodingsmethode aan te wijzen die niet in artikel 5 van het Besluit is genoemd. Dat is weliswaar in overeenstemming met de Nederlandse wetgeving, waarin is voorzien in de mogelijkheid dat GS bij het voorbereiden en verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 68 Ffw kunnen kiezen voor een niet bij wet aangewezen dodingsmethode, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met artikel 9 van de Vogelrichtlijn. De voorzieningenrechter heeft als volgt overwogen. De voorzieningenrechter begrijpt artikel 9, tweede lid, ten vierde, van de Vogelrichtlijn aldus dat, indien en voorzover de nationale wetgever een dodingsmethode heeft aangewezen de door de wetgever aangewezen autoriteit bevoegd is te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen. Voor de Nederlandse situatie betekent dat dat GS bij het gebruikmaken van de bevoegdheid ontheffing te verlenen maatwerk kunnen leveren door een passende keuze te maken uit de bij wet toegestane methoden of middelen. Een andere lezing van deze bepaling kan niet worden aanvaard, aangezien dat zou betekenen dat elk college van GS vrij zou zijn in het kiezen van niet bij wet voorziene dodingsmethoden. Dat zou strijd opleveren met de noodzakelijk strikte uitleg van de uitzonderingsmogelijkheid die de Vogelrichtlijn toelaat.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen