Art. 4
1. Voor de leefgebieden van de in bijlage I vermelde soorten worden speciale beschermingsmaatregelen getroffen , opdat deze soorten daar waar zij nu voorkomen , kunnen voortbestaan en zich kunnen voortplanten .
In dat verband wordt gelet op :
a) soorten die dreigen uit te sterven ;
b) soorten die gevoelig zijn voor bepaalde wijzigingen van het leefgebied ;
c) soorten die als zeldzaam worden beschouwd omdat hun populatie zwak is of omdat zij slechts plaatselijk voorkomen ;
d) andere soorten die vanwege de specifieke kenmerken van hun leefgebied speciale aandacht verdienen .
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de tendensen en de schommelingen van het populatiepeil .
De Lid-Staten wijzen met name de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszones aan , waarbij rekening wordt gehouden met de bescherming die deze soorten in de geografische zee - en landzone waar deze richtlijn van toepassing is , behoeven .
2. De Lid-Staten nemen soortgelijke maatregelen ten aanzien van de niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels , waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van het gebied van bescherming in de geografische zee - en landzone waar deze richtlijn van toepassing is , ten aanzien van hun broed - , rui - en overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun trekzones . Met het oog hierop besteden de Lid-Staten zelf bijzondere aandacht aan de bescherming van watergebieden en in het bijzonder aan de watergebieden van internationale betekenis .
3. De Lid-Staten zenden de Commissie alle nuttige gegevens , zodat zij de geëigende initiatieven kan nemen voor de coordinatie die nodig is om te bereiken dat de zones bedoeld in lid 1 , enerzijds , en in lid 2 , anderzijds , een samenhangend geheel vormen dat voldoet aan de eisen inzake bescherming van de soorten in de geografische zee - en landzone waar deze richtlijn van toepassing is .
4. De Lid-Staten nemen passende maatregelen om vervuiling en verslechtering van de woongebieden in de in de leden 1 en 2 bedoelde beschermingszones te voorkomen , alsmede om te voorkomen dat de vogels aldaar worden gestoord , voor zover deze vervuiling , verslechtering en storing , gelet op de doelstellingen van dit artikel , van wezenlijke invloed zijn . Ook buiten deze beschermingszones zetten de Lid-Staten zich in om vervuiling en verslechtering van de woongebieden te voorkomen .