Art. 7
1. Op de in bijlage II vermelde soorten mag , vanwege hun populatieniveau , hun geografische verspreiding en de omvang van hun voortplanting in de hele Gemeenschap , worden gejaagd volgens de bepalingen van de nationale jachtwetgeving . De Lid-Staten zien erop toe dat de jacht op deze soorten de pogingen tot instandhouding die in hun verspreidingsgebied worden ondernomen , niet in gevaar brengt .
2. Op de in bijlage II/1 genoemde soorten mag worden gejaagd in de geografische zee - en landzone waar deze richtlijn van toepassing is .
3. Op de in bijlage II/2 genoemde soorten mag alleen worden gejaagd in de Lid-Staten waarbij deze soorten zijn vermeld .
4. De Lid-Staten zien erop toe dat bij de beoefening van de jacht , eventueel met inbegrip van de valkenjacht , zoals deze voortvloeit uit de toepassing van de geldende nationale maatregelen , de principes van een verstandig gebruik en een ecologisch evenwichtige regulering van de betrokken vogelsoorten in acht worden genomen , en dat deze beoefening wat de populatie van deze soorten , in het bijzonder van de trekvogels betreft , verenigbaar is met de uit artikel 2 voortvloeiende bepalingen . Zij zien er in het bijzonder op toe dat soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is , niet worden bejaagd zolang de jonge vogels het nest nog niet hebben verlaten of gedurende de verschillende fasen van de broedperiode . Ten aanzien van trekvogels zien zij er met name op toe dat de soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is , niet worden bejaagd tijdens de broedperiode noch tijdens de trek naar hun nestplaatsen . De Lid-Staten zenden de Commissie alle nuttige gegevens betreffende de praktische toepassing van hun jachtwetgeving .