Art. 3

1. De maatregelen van openbare orde of openbare veiligheid moeten uitsluitend berusten op het persoonlijke gedrag van de betrokkene.

2. Het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen vormt op zichzelf geen motivering van deze maatregelen.

3. Het verlopen van het identiteitsbewijs dat de toelating in het ontvangende land en de afgifte van de verblijfsvergunning mogelijk maakt, kan de verwijdering van het grondgebied niet wettigen.

4. De staat die het identiteitsbewijs heeft afgegeven, laat de houder van dit bewijs zonder formaliteiten op zijn grondgebied toe, zelfs indien dit bewijs is verlopen of de nationaliteit van de houder wordt betwist. (1)PB no. 80 van 13.12.1961, blz. 1513/61. (2)PB no. 2 van 15.1.1962, blz. 32/62 en 36/62. (3)Zie blz. 845/64 van dit nummer. (4)PB no. 134 van 14.12.1962, blz. 2861/62. (5)Zie blz. 856/64 van dit nummer.

Uitspraken die dit artikel aanhalen