ABRvS 12 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF1415
Ongewenstverklaring / artikel 1F Vlv / derdelander gehuwd met een Unieburger / actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde Van belang is derhalve of de vreemdeling op het moment van het besluit van 13 januari 2006 nog steeds een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde oplevert in de zin van de rechtspraak van het Hof (laatstelijk het arrest van 10 juli 2008, Jipa, C-33/07, punt 23, JV 2008/290). Rechtvaardigingsgronden die niet rechtstreeks verband houden met het betrokken individuele geval of die zijn ingegeven door overwegingen van algemene preventie kunnen niet worden aanvaard (Jipa, punt 24). Uit de toepasselijkheid van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag blijkt dat de ernst van voornoemde activiteiten door de internationale gemeenschap is onderkend en is vastgelegd in het internationale recht. Voorts is in artikel 17, tweede lid, van Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, vastgelegd dat gedragingen als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag leiden tot uitsluiting van subsidiaire bescherming. Aldus is sprake van een werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde. Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van een actuele bedreiging voor de openbare orde. Blijkens overweging 77 van het arrest van het Hof van 29 april 2004, Orfanopoulos en Oliveri, C 482/01 en C 493/01, Jur. I-5257 (JV 2004/227) moeten de bevoegde nationale autoriteiten, om te beslissen of een onderdaan van een andere lidstaat in het kader van de uitzondering wegens redenen van openbare orde mag worden uitgezet, in elk concreet geval bepalen of uit de maatregel of uit de omstandigheden die tot deze veroordeling hebben geleid, blijkt van het bestaan van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging voor de openbare orde vormt. Uit overweging 78 en volgende van het arrest Orfanopoulos en Oliveri volgt dat nationale rechterlijke instanties bij de rechtmatigheidstoetsing van de uitzetting van een vreemdeling rekening moeten kunnen houden met feiten die zich na het laatste overheidsbesluit hebben voorgedaan en die ertoe kunnen leiden dat de actuele bedreiging die het gedrag van betrokkene voor de openbare orde vormde, verdwijnt of sterk vermindert. Dit is vooral het geval indien er tussen de datum van het besluit tot uitzetting en de datum waarop de bevoegde rechter dit besluit toetst, een langere periode is verstreken. Ten slotte heeft het Hof in het arrest van 4 december 1974, Van Duyn, 41/74, Jur. blz. 1337 (NJ 1975, 204) overwogen dat artikel 3, eerste lid, van Richtlijn 64/221/EEG aldus dient te worden verstaan dat een lidstaat, met een beroep op de beperkingen die door de openbare orde zijn gerechtvaardigd, als persoonlijk gedrag van de betrokkene in aanmerking mag nemen dat deze is aangesloten bij een groep of organisatie, wier activiteiten door de lidstaat als een gevaar voor de maatschappij worden beschouwd zonder evenwel te zijn verboden. In aanmerking wordt genomen dat Al-Jama’at Al Islamiyya is geplaatst op de in artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, bedoelde lijst van personen, groepen en entiteiten waarvoor specifieke beperkende maatregelen met het oog op de strijd tegen het terrorisme blijkens deze verordening een prioritaire doelstelling van de Europese Unie gelden. In directe samenhang met dit laatste wordt met name ook in aanmerking genomen dat de dreiging die van betrokkenheid bij terroristische daden uitgaat lang tot zeer lang actueel blijft. Hoe dan ook aanzienlijk langer dan de periode die in dit geval verstreken is tussen het veronderstelde einde van de verantwoordelijkheden van de vreemdeling (1999) en het moment waarop de ongewenstverklaring werd uitgesproken (2003), gehandhaafd (2006) en door de rechter werd getoetst (2007), dus vier tot acht jaar. Het toelaten van de vreemdeling in Nederland vormt, gelet op de aard en de ernst van de in 2.7 beschreven activiteiten, een werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde. Voorts kunnen deze activiteiten, gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie van het Hof, worden aangemerkt als individueel gedrag dat, ondanks de omstandigheid dat de vreemdeling sinds zijn binnenkomst in Nederland in 1993 nimmer met justitie in aanraking is geweest, nog steeds een actuele bedreiging als in 2.11 bedoeld vormt. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde. De grieven slagen in zoverre.
De uitspraak op rechtspraak.nl