Rb. 's-Gravenhage 27 januari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3680
Eiser is tijdens het gehoor in bezwaar expliciet gevraagd naar zijn strafrechtelijke verleden. Hij heeft verklaard dat het vonnis van 27 mei 2005 zijn eerste strafrechtelijke veroordeling was. Uit daarna door de ACVZ verricht onderzoek is gebleken dat hij in Engeland verschillende malen is veroordeeld voor strafbare feiten. Nu eiser bekend was met zijn strafrechtelijke verleden alsmede met de relevantie daarvan in de onderhavige procedure en hij daarover bewust een onjuiste verklaring heeft afgelegd, heeft verweerder artikel 7:9 Awb niet geschonden door eiser niet in de gelegenheid te stellen op zijn Engelse strafblad te reageren. Uit het besluit en het ACVZ-advies blijkt niet dat door verweerder of door de ACVZ kennis is genomen van het vonnis van 27 mei 2005 en de daarin vervatte nadere omschrijving van eisers persoonlijke gedrag. Dit vonnis behoort ook niet tot de stukken van het geding. Afgezien van de constatering dat eiser is veroordeeld voor overtreding van artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet, meermalen gepleegd, is dus omtrent de omstandigheden die hebben geleid tot deze strafoplegging niets bekend. Nu verweerder in het bestreden besluit op geen enkele wijze is ingegaan op het persoonlijk gedrag van eiser dat heeft geleid tot de veroordeling en deze veroordeling dragend is voor het standpunt van verweerder dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde kan, gelet op de rechtspraak op dit punt, aan die veroordeling op zichzelf niet de gevolgtrekking worden verbonden dat eiser thans een bedreiging vormt voor de openbare orde in de bedoelde zin.
De uitspraak op rechtspraak.nl