Rb. 's-Gravenhage 13 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2373

De rechtbank acht geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt, gelet op een zich herhalend patroon van contact met justitie in verband met als ernstig te kwalificeren strafbare feiten, waaruit verweerder heeft kunnen afleiden dat voor nu en voor de toekomst een reëel gevaar voor recidive bestaat. Meer aanvullend heeft verweerder in dezen kunnen stellen dat, gelet op voornoemd patroon van drugs- en geweldsdelicten aangenomen mag worden dat eiser in zijn gedrag kennelijk moeite heeft om onderscheid te maken in wat hem toebehoort en wat anderen toebehoort en daarbij geweld toepast. Voorts heeft verweerder daarbij kunnen aannemen dat eiser, gelet op de ernst en de aard van de strafrechtelijke veroordeling in Nederland, met het handelen, ter zake waarvan hij strafrechtelijk is veroordeeld, blijk heeft gegeven van persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt. Aan de omstandigheid dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie geen strafbare feiten heeft begaan, hoefde verweerder, gelet op de korte duur van de periode dat eiser buiten detentie verbleef, niet de conclusie te verbinden dat in geval van eiser sprake is van een positieve gedragsverandering. Dat eiser als gedetineerde een onopvallend en redelijk probleemloos bestaan heeft geleid alsmede het gegeven dat eiser thans werkzaam is, heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven geven te concluderen tot een positieve gedragswijziging. De verblijfsduur van eiser is niet dermate lang (geweest) dat van verblijfsbeëindiging afgezien dient te worden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen