Rb. 's-Gravenhage 14 juni 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8505

Ongewenstverklaring / novum / Unieburger / onderzoeksplicht In onherroepelijke uitspraak rechtbank van mei 2003 is geoordeeld dat verweerder terecht artikel 1(F) heeft tegengeworpen. Eerder beroep tegen ongewenstverklaring is bij onherroepelijke uitspraak van 2004 gegrond verklaard wegens schending hoorplicht. In die uitspraak is geoordeeld dat verweerder in beginsel bevoegd was eiser ongewenst te verklaren; in het kader van de proportionaliteit is overwogen dat gehoord had moeten worden in bezwaar, waarbij van belang is geacht dat niet in geschil is dat artikel 3 EVRM zich verzet tegen uitzetting. De verhuizing van eiser met zijn gezin naar het VK is in dit geval novum waardoor de bevoegdheidsvraag opnieuw ten volle voorligt. Echtgenote eiser heeft Nederlandse nationaliteit en is daarmee Unieburger. Gesteld is dat zij werkt in het VK, dat hun kinderen daar naar school gaan en dat beschikt wordt over voldoende middelen en ziektekosten-verzekeringen. Eiser meent daarom dat hij dient te worden aangemerkt als 1) echtgenoot van een migrerend gemeenschapsonderdaan/werknemer 2) familielid van dienstontvangende, want schoolgaande, kinderen en 3) familielid van een Unieburger die uit hoofde van EG-Verdrag mag verblijven in het VK, en dat de ongewenstverklaring geen stand kan houden omdat niet is voldaan aan het EU-criterium “actuele bedreiging voor de openbare orde”. Primair standpunt verweerder dat eisers echtgenote noch eiser kan worden aangemerkt als (familielid van) gemeenschapsonderdaan dan wel Unieburger met recht op verblijf in andere lidstaat is niet zorgvuldig voorbereid. Verweerder heeft niet alle drie door eiser gestelde mogelijke verblijfsrechtelijke gronden onderzocht. Daarnaast is eiser ten onrechte niet gehoord nadat de Britse IND na de hoorzitting in bezwaar onderzoek heeft verricht naar het gestelde werk van de echtgenote en de papieren inzake dit werk vals heeft bevonden. Verweerders subsidiaire standpunt dat de toepasselijkheid van artikel 1(F) dus betekent dat eiser een actuele bedreiging voor de openbare orde is, houdt evenmin stand. Verweerder heeft niet het juiste criterium, zijnde het EU openbare-orde-criterium, gehanteerd, en heeft nagelaten bij de beoordeling te betrekken 1) het tijdsverloop sedert de feiten die ten grondslag liggen aan de toepasselijkheid van artikel 1(F), 2) het gedrag van eiser in die periode en 3) eisers stelling dat hij intussen is geschrapt van de Egyptische lijst van personen die een gevaar vormen voor de staatsveiligheid.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen