Art. 1
1. De Lid-Staten kennen het verblijfsrecht toe aan onderdanen van de Lid-Staten die dit recht niet bezitten op grond van andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht alsmede aan hun familieleden, als omschreven in lid 2, mits zij voor zichzelf en hun familieleden een ziektekostenverzekering hebben die alle risico's in het gastland dekt en over toereikende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste van de bijstandsregeling van het gastland komen.
De in de eerste alinea bedoelde bestaansmiddelen zijn toereikend wanneer zij meer bedragen dan het niveau van de middelen waaronder door het gastland aan zijn onderdanen bijstand kan worden verleend, rekening houdend met de persoonlijke situatie van de aanvrager en in voorkomend geval met die van de krachtens lid 2 toegelaten personen.
Wanneer de tweede alinea niet kan worden toegepast, worden de bestaansmiddelen van de aanvrager toereikend geacht wanneer zij meer bedragen dan het niveau van het minimumpensioen in het kader van de sociale zekerheid dat door het gastland wordt utigekeerd.
2. Met de houder van het verblijfsrecht mogen zich, ongeacht hun nationaliteit, in een andere Lid-Staat vestigen:
a) zijn echtgenoot en hun ten laste komende bloedverwanten in neergaande lijn;
b) de bloedverwanten in opgaande lijn van de houder van het verblijfsrecht en van zijn echtgenoot, die te zijnen laste zijn.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 12 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF1415
- ABRvS 14 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB7789
- ABRvS 3 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1068
- ABRvS 20 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK4686
- ABRvS 21 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA1807
- ABRvS 13 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT9775
- Rb. 's-Gravenhage 14 juni 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8505